Niederländische Verteilschriften
Aus dem Inhalt: „Klar ist, dass niemand beweisen kann, dass es keinen Gott gibt, aber ist andererseits seine Existenz beweisbar? Wenn das Letztere möglich ist, dann sind die atheistischen Verbände einem Irrtum aufgesessen. Kann man darüber hinaus zeigen, dass es den biblischen Gott gibt, dann gehen die Atheisten auf die Hölle zu, denn die Bibel sagt: „Deren Los ist die dunkelste Finsternis“ (Judas 13b).“ Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! En Hij bestaat toch – onze God Veel mensen proberen, wanneer het over het thema ‘God’ gaat, eraan voorbij te gaan. Maar zo goed lukt het hen niet. In London hebben atheïsten reclame willen maken, aan de rode dubbeldekkers, dat er geen God is. Dat ging in elk geval mis bij de Engelse reclame wet, waar alleen reclame kan worden gemaakt, dat met concrete feiten te bewijzen is. Maar niemand van de reclamemakers kon aantonen dat er geen God is. Als uitweg veranderden ze hun slogan dat er ‘waarschijnlijk’ geen God bestaat. Maar hun uitspraak hield logischerwijze ook een waarschijnlijkheid in dat er wel een God bestaat, wat sommigen tot nadenken bracht over de vraag van Gods bestaan. In Duitsland werd de reclamecampagne van de atheïsten aan openbare bussen in het begin helemaal niet toegestaan. Daarom besloot men om met een eigen reclamebus door Duitsland te gaan rijden. De Duitse slogan werd tegenover de Engelse nog verscherpt: ‘Er is (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) geen God’. Men vraagt zich toch af als denkend mens, waarom trekken de atheïsten te velde tegen iets, dat toch volgens hun opvatting helemaal niet bestaat? Duidelijk is dat niemand kan bewijzen dat er geen God is, maar is, aan de andere kant, Zijn bestaan te bewijzen? Wanneer dat laatste mogelijk is, dan zijn de atheïstische genootschappen op een dwaling gebaseerd. Kan men bovendien aantonen, dat de Bijbelse God bestaat, dan gaan de atheïsten naar de hel, want de Bijbel zegt: ‘voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt’ (Judas13b). Een grotere ramp bestaat er niet! We willen hier op de vraag naar het bestaan van God met hulp van twee nieuwe bewijzen van Gods bestaan antwoorden. De formulering in Romeinen 1:21: ‘Want hoewel zij God kenden’ is een zeer sterke uitspraak en betuigt ons dat God Zich ook buiten de Bijbel openbaart en dus bewijsbaar heeft gemaakt. Maar wanneer bewijzen van Gods bestaan niet direct tot geloof leiden, hebben zij toch een belangrijke functie: ze weerleggen het atheïsme en zijn geschikt om menige geloofsverhindering af te bouwen of helemaal uit de weg te ruimen. Oudere bewijzen van Gods bestaan stammen bijvoorbeeld af van Aristoteles, Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino. Op deze plaats noemen wij twee bewijzen van Gods bestaan, die pas in de laatste jaren door de auteur van dit traktaat ontwikkeld werden, namelijk de uit de natuurwetten van de informatie en de profetische wiskunde: Het bewijs van Gods bestaan uit de natuurwetten van de informatie Op grond van de natuurwetten over de informatie weten wij, dat de reusachtige informatie massa in de cellen van alle leefwezens een intelligente Schepper nodig heeft. Tegenover de historische bewijzen van Gods bestaan, die verregaand filosofisch georiënteerd zijn, hebben wij hier ten eerste een natuurwettelijk bewijs voor het bestaan van een intelligente Zender en daarmee voor het bestaan van een God. Op Kant, die 200 jaar geleden leefde en als de grootste vernietiger van de bewijzen van Gods bestaan wordt aangezien, kunnen wij ons in geen geval beroepen omdat toen slechts een brokstuk van de huidige natuurwetenschappelijke ontdekkingen bekend was. Uitvoerig is de bewijsvoering in mijn boek ‘Am Anfang war die Information’ [1] (In het begin was er informatie) uitgelegd. Het ‘profetische-wiskundige bewijs van Gods bestaan’ De Bijbel bevat meer dan 3000 profetische uitspraken, die al vervuld zijn. Als een goed na te trekken voorbeeld kan hier in Deuteronomium 28:64-65 de door God aangekondigde verstrooiing van het volk Israël genoemd worden, dan de in Jeremia 16:14-15 toegezegde terugkeer in het beloofde land, die in het jaar 1948 na bijna 2000 jaar door de vorming van de staat Israël gedeeltelijk in vervulling ging. Deze kwaliteit bezit geen ander boek in de wereldgeschiedenis. Daarmee is aan ons een uniek criterium om de waarheid te beproeven in onze hand gegeven. Is het mogelijk dat mensen, over een tijdsperiode van 1500 jaar verspreid, zoveel exacte voorspellingen konden doen? Zijn ze toevallig uitgekomen of was dat alleen mogelijk, omdat God de Auteur van de Bijbel is, Die op grond van Zijn alwetendheid profetieën kan geven, die dan ook aan de afloop van de geschiedenis te controleren zijn? Kunnen wij proberen voor te stellen wat dat betekent? Wij willen dat in een model illustreren: Men stelt zich een buitengewone grote hoop met zwarte mieren voor, waarin zich onder alle zwarte mieren slechts één rode mier bevindt. Het is gemakkelijk in te zien: Hoe groter de genoemde hoop wordt, hoe kleiner is de waarschijnlijkheid dat men een rode mier (bijv. met geblindeerde ogen) eruit grijpt. De vraag luidt nu: Bij welk aantal mieren is de waarschijnlijkheid, om de rode mier toevallig eruit te grijpen, juist precies zo groot, zoals het feit, dat er 3268 profetieën konden uitkomen? Wij beginnen met een schatting: Is een bad met water vol met mieren genoeg of moet de watermassa van het Bodenmeer door mieren worden verplaatst of is zelfs het volume van de aarde nodig om dat met mieren te vullen? De berekening laat zien: Het zijn er altijd nog te weinig. Wat nu? Moet men misschien denken, ons reusachtige en onvoorstelbaar grote heelal vol met mieren te vullen of zelfs twee of drie daarvan. Misschien zelfs honderd (tien tot de tweede macht) of duizend (tien tot de derde macht)? Pas de wiskundige berekening overtreft al onze voorstellingen en noemt ons de daadwerkelijke menigte van meer dan één universum. Het is onbegrijpelijk: 10 tot de 896e macht. Wat drukt zo’n immens getal – dus een 1 gevolgd door 896 nullen – van tot de rand toe met mieren gevuld heelal uit? De waarschijnlijkheid, dat meer dan 3000 profetieën toevallig konden worden vervuld, is dus praktisch nihil. De resultaten van de getallen van de wiskundige berekeningen groeien zodanig in het gigantische en trans astronomische dat ons denken en voorstellingsvermogen overweldigd zijn, om deze realiteit nog passend in te schatten. Het uitvoerige wiskundig bewijs is in mijn boek ‘So steht es geschrieben [2] verstrekt. Het verbazingwekkende resultaat laat zich kort samenvatten: Door het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’ kan het bestaan van een alwetend en almachtig God bewezen worden, die met de God van de Bijbel identiek is. 1. De Bijbel is van God en ze is waar Geen mens is in staat profetieën te formuleren, die zich dan zonder uitzondering vervullen. De ware Auteur van de Bijbel is de alwetende en almachtige God (2 Timotheüs 3:16). Daarom is de hele Bijbel waar. De Heer Jezus bidt tot de Vader: ‘Uw Woord is de waarheid’ (Johannes 17:17) en Paulus verklaart: ‘Ik geloof alles, wat in de wet en profeten geschreven staat’ (Handelingen 24:14). Hij vertrouwde God ook zonder het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’ 2. Er is geen andere God dan de God van de Bijbel Geen van de in het verleden aangevoerde bewijzen van Gods bestaan bevestigt een bepaalde God. Ze zijn allemaal zo algemeen gehouden, dat elke religie ze voor hun godsdienst nuttig kan maken. Het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’ daarentegen wijst ondubbelzinnig heen naar de God van de Bijbel en Zijn Zoon Jezus Christus. Een zodanig bewijs kan van geen enkele van de goden in de andere godsdiensten worden geleverd. Daartoe passend zegt de Bijbel, dat de mensen in hun religies ontelbare goden genoemd hebben: ‘Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn) dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem’ (1 Korinthe 8:5-6). In Psalm 96:5 verwerpt de Bijbel alle afgoden in de religies: ‘Alle goden van de volken zijn afgoden’. De afgoden te dienen is geen neutrale aangelegenheid. In de geschiedenis van de verzoeking in de woestijn (Mattheüs 4:8-10) verlangde de duivel dat de Heer Jezus hem zou aanbidden. Met één woord uit de Bijbel verjoeg de Heer Jezus hem: ‘De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen’ (Mattheüs 4:10). Volgens de uitspraken van het Nieuwe Testament dient men in de afgodendienst de boze geesten, dus de demonen (1 Korinthe 10:20). En staat daarmee uiteindelijk de duivel de aanbidding toe, die de Heer Jezus hem zo hartstochtelijk weigerde. Afgodendienst is zonde, die tot zulke bepaalde zonden behoren, die van het koninkrijk van God uitsluiten (1 Korinthe 6:9-10, Galaten 5:20-21; Openbaring 21:8; 22:15). 3. Het atheïsme is weerlegd Het atheïsme kan op tweevoudige wijze weerlegd worden – met hulp van natuurwetten van de informatie en door het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’. De Bijbel spreekt over het atheïstische denken in Psalm 14:1: ‘De dwaas spreekt in zijn hart: er is geen God’. Verderop staat er: ‘Maar de goddeloze zal het (in eeuwigheid) niet welgaan’ (Prediker 8:13). De atheïsten tasten dus niet alleen mis maar bevinden zich ook op de weg naar het eeuwige verderf. ‘Maar wie niet (in de Heer Jezus) gelooft, zal veroordeeld worden’ (Markus 16:16). Er is redding mogelijk Deze brochure wil niemand wegens zijn tot nu toe geleefde leven aanklagen – noch echtbrekers, noch bedriegers, noch vertegenwoordigers van verschillende godsdiensten noch de zendelingen van het atheïsme. Veel meer is het onze wens om op wegen van verlorenheid attent te maken en alle lezers uitnodigend toe te roepen: In dit leven is er nog voor elke zondaar omkeer mogelijk. In Johannes 3:17-18 is de verregaande consequentie, die het evangelie voor ons heeft, kort samengevat: ‘Want God heeft Zijn Zoon (Jezus) niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld. Maar wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God’. Omdat God de eeuwigheid in ons hart heeft gelegd (Prediker 3:11), kunnen wij in al de dingen van ons aardse leven geen werkelijke vervulling vinden. Wij zijn schepselen voor de eeuwigheid en daarom houdt ons bestaan ook nooit op. Aan de andere zijde van de doodsmuur zijn er slechts twee verblijfplaatsen – de hemel of de hel. De hemel is onuitsprekelijk heerlijk, de hel is onuitsprekelijk verschrikkelijk. De wens van God is om ons in de hemel te hebben. Daartoe hebben wij de Heer Jezus nodig. Hij is de deur naar de hemel, omdat Hij ons van onze schuld wil bevrijden en ons een nieuw perspectief voor het leven wil schenken. Wanneer u de wens hebt om gered te worden en in de hemel te komen, moet u zich van uw oude weg zonder de Heer Jezus afwenden en de Heer Jezus in uw leven toelaten. Deze levensomkeer kunt u in een gebed doen. Dat gebed kan als volgt zijn: ‘Heer Jezus Christus, Uw naam ken ik. Ik heb tot nu toe zo geleefd, alsof U niet bestond. Nu heb ik ingezien, wie U bent en daarom wend ik mij voor de eerste keer in het gebed tot U. Ik weet nu dat er een hemel is en ook een hel. Redt mij daarom van de hel, waarin ik vanwege al mijn schuld, in het bijzonder mijn ongeloof, eigenlijk terecht zou komen. Het is mijn wens om eenmaal tot in alle eeuwigheid bij U in de hemel te zijn. Ik ben mij er van bewust, dat ik niet door eigen verdiensten, maar slechts door het geloof in U in de hemel kan komen. Omdat U mij lief hebt, bent U ook voor mij aan het kruis gestorven en hebt al mijn zonden op U genomen en voor mij betaald. Ik dank U daarvoor. U ziet al mijn schuld, ook die vanaf mijn jeugd. Iedere zonde van mijn leven is bij U bekend – alles, wat mij nu bewust is, maar ook alles, wat ik al lang vergeten ben. U weet alles over mij, want U kent mij heel precies. Met elke opwelling van mijn hart bent U vertrouwd, of het vreugde of droefheid, geluk of vrees is. Voor U ben ik een opengeslagen boek. Dus zoals ik ben en hoe ik tot nu toe geleefd heb, kan ik niet voor U en de levende God bestaan en daarom zou ik de hemel mislopen. Daarom vraag ik U, vergeef mij al mijn schuld. Van mijn zonden heb ik oprecht spijt. Help mij alstublieft, alles weg te doen, wat voor U niet goed is en schenk mij nieuwe gewoontes, die onder uw zegen staan. Open voor mij de toegang tot Uw Woord, de Bijbel. Help mij dat ik begrijp wat U mij daarin wilt zeggen en dat ik in Uw Woord nieuwe kracht en levensvreugde vind. U zult van nu af aan mijn Heer zijn, bij Wie ik graag hoor en Wie ik wil volgen. Geef mij daartoe een gehoorzaam hart. Toon mij alstublieft de weg, die ik nu moet gaan. Ik dank U, dat U mij verhoord hebt. Ik geloof Uw beloftes, dat ik nu door mijn komen tot U een kind van God geworden ben dat eenmaal eeuwig bij U in de hemel zal zijn. Ik verheug mij over dit grote gewin om U nu al in elke situatie aan mijn zijde te hebben. Help mij alstublieft daarbij om mensen te vinden, die ook persoonlijk in U geloven en laat mij een Bijbels georiënteerde groep gelovigen vinden, waar ik regelmatig Uw Woord kan horen. Amen’. Dr. Ing. Werner Gitt Directeur en Professor
Gottesbeweise gewinnen in unserer Zeit eine ganz neue Bedeutung. Einige Gottesbeweise sind vom naturwissenschaftlichen Denken geprägt. So stellt sich die Frage: Gibt es vielleicht einen Gottesbeweis, der das Herz eines jeden Menschen erreichen kann? Die Liebe ist das Phänomen, wofür jedes menschliche Herz empfänglich ist – sei es ein Urwaldbewohner, der nie etwas von Wissenschaft gehört hat, oder ein Physik-Nobelpreisträger, der versucht, die Urgründe der Materie zu erforschen. Kann es sein, dass Gott sich in seiner Liebe offenbart hat und damit allen Menschen den Universalbeweis seiner Existenz und seines Wesens geliefert hat? In der Tat hat Gott das getan, und das soll in dieser Schrift gezeigt werden.
Der Aufbau des menschlichen Körpers liefert uns erstaunliche Informationen. Einige Details wie das Blut, die Zellen, das Gehirn und einiges mehr werden näher betrachtet. Wir erkennen daran, dass der Mensch zweifellos eine geniale Konstruktion ist. Es ist darum unvernünftig, anzunehmen, dass wir das Ergebnis eines planlosen Prozesses sich selbst überlassener Materie sind. Ohne die Annahme einer Schöpfung verrennen wir uns im Dickicht evolutionärer Gedankensysteme und werden der Wirklichkeit nicht gerecht. Die ausführliche wissenschaftliche Argumentation steht in dem Buch »Faszination Mensch« von Werner Gitt, CLV-Verlag, Bielefeld, 3. Auflage 2015, 155 S., ISBN: 9-89397-649-3. De mens -een geniale constructie Wij slepen allemaal een fundamentele vraag mee in ons leven: Waar komen we eigenlijk vandaan? Nauw daarmee verbonden komen meteen de volgende vragen op: Waarom leven we hier een tijd? En wat zal er hierna zijn? Is ons bestaan dan onherroepelijk uitgewist of bestaan we voor altijd en eeuwig verder op een andere plaats? Er zijn slechts twee antwoorden voor de oplossing van dit probleem: Model A: Evolutietheoretici en atheïsten zeggen ons dat wij uit een proces voortkomen dat ons zonder strategie, zonder intelligentie en zonder doelstelling in miljoenen jaren alleen uit materie heeft doen ontstaan. Met de dood is alles voorbij en er is ook geen God aan Wie we op een keer rekenschap moeten afleggen. Model B: Daartegenover staat de uitspraak van de Bijbel, dat een alwetende en almachtige Schepper ons gewild en ons doelbewust geschapen heeft. De dood is wel het eindpunt van het aardse leven maar tegelijk het begin van het eeuwige leven, want onze Schepper wil ons graag in de hemel hebben. Deze verklaringen liggen zo ver uit elkaar dat er beslist één verkeerd moet zijn. Welke uitspraak blijkt, met de kennis van de 21e eeuw, solide te zijn? Laten we eens kijken naar sommige zintuigen en opvallende delen van ons lichaam en daarbij toetsen of de concepten zonder intelligentie zijn of intelligente kenmerken hebben. Daarbij kijken we meteen naar belangrijke uitspraken van de Bijbel. We bekijken elk gedeelte en toetsen dan of er een punt naar model A of naar model B gaat. TastzinVerdeeld over de hele huid Op een vierkante centimeter huid hebben we zegge en schrijve 6.000.000 cellen en 5.000 zintuiglichaampjes die de tastzin mogelijk maken. Alles wat wij voelen, hetzij warmte, koude, gladheid, ruwheid of pijn, wordt door elk punt van de huid verder naar de hersenen geleid. Daarvoor heeft het een uiterst dicht netwerk van informatieleidingen en een geschikte codering nodig, zodat alles in de hersenen volgens plaats en manier kan worden waargenomen. Dit informatienetwerk buiten de hersenen heeft een lengte van 380.000 kilometer. Wie heeft dit netwerk bedacht en de leidingen in hightech aangelegd en voor de hersenen een programma bedacht dat alles kan identificeren? Zo’n doelgericht en heel intelligent systeem kan niet uit iets doelloos zijn ontstaan! Het punt gaat hier duidelijk naar model B. Het oorMet de meest exacte meettechniek Het menselijk oor beschikt over de onvoorstelbare bekwaamheid om energieverschillen van geluid in een spanne van één tot één biljoen (= 1012) te horen. Geen technisch apparaat kan dit zonder omschakeling van meetbereik. De gevoeligheid van het oor reikt tot aan de natuurkundig mogelijke grenzen. Dat wordt door een drievoudige signaalomzetting van mechanisch in hydraulisch en ten slotte in elektrisch bereikt. Hetzelfde geluid komt eerst direct op het trommelvlies en na circulatie in de oorspier een vijfduizendste seconde later nog een keer. Uit deze vier meetwaarden produceren de hersenen in samenhang twee andere signalen. Door deze geniale verrekening in de hersenen is het alsof we met zes oren zouden horen. Deze geavanceerde technologie staat een akoestische analyse toe om richting, plaats van oorsprong en beweging van geluidsbronnen in alle ruimteniveaus te herkennen. Bovendien kunnen we bij een gesprek van meerdere personen voor ons onbelangrijke zaken naar de achtergrond dringen en andere zaken bewust accentueren. Dat presteert geen enkel technisch apparaat. Waar komt deze geniale constructie vandaan? Kan een proces zonder doelstelling zoiets teweegbrengen? Natuurlijk niet! De Psalmist geeft het korte, treffende antwoord: ‘Zou Hij Die het oor plantte niet horen? Die het oog vormde, niet zien?’ (Psalm 94:9). Het oor is niet afkomstig uit een evolutieproces maar berust op een geniale daad van de Schepper. Het punt gaat hier naar model B. Het bloedEen universeel transportmiddel Het bloed neemt levensnoodzakelijke functies waar. Elke cel wordt van brandstoffen uit de voeding met zuurstof, vitaminen, hormonen en warmte voorzien. Ook worden stofwisselingsproducten en ook warmte door elke cel weer afgevoerd. Het bloed bevindt zich een leven lang in een constante vloed, het verblijft in een eindeloze bocht waarbij het hart zich elke seconde met bloed vult om het er dan meteen weer uit te werpen. Een bijzonderheid in het bloed zijn de rode bloedlichaampjes; in elke druppel bloed zijn er 150 miljoen. Ze worden in de longen van zuurstof voorzien en gelijktijdig lossen ze daar het afvalproduct kooldioxide (CO2). De rode bloedlichaampjes bevatten de sterk gespecialiseerde levensnoodzakelijke chemische verbinding, de hemoglobine, en is al tijdens de embryonale ontwikkeling actief. In het foetale stadium (vanaf de derde maand) verandert de zuurstofbehoefte en daarom is er een andere hemoglobinesoort met een andere chemische samenhang nodig. Kort voor de geboorte werken dan alle chemische fabrieken nog een keer op volle toeren om de omschakeling op de volwassen hemoglobine te realiseren. De drie hemoglobinesoorten kunnen niet op evolutionaire wegen door uitproberen gevonden worden, omdat de meeste andere varianten niet voldoende zuurstof zouden transporteren. En dat zou een zekere dood veroorzaken. Driemaal heeft het een andere biologische ‘machine’ nodig voor de hemoglobinesoort van dat ogenblik, dat ook nog op het juiste ogenblik de productie moet omschakelen. Waar komt zo’n complexe machine vandaan? Elk evolutie-idee faalt hier grondig want voor half klare tussenstadia zou er geen overlevingskans zijn. Ook dit punt gaat heel duidelijk naar model B. De cellenBouwstenen met 100 biljoen afzonderlijke delen Wist u dat het menselijk lichaam uit ongeveer 100 biljoen cellen bestaat waarvan elke cel uit ongeveer 10.000 maal zoveel moleculen bestaat dan de melkweg sterren heeft? Daarbij moet men bedenken: onze melkweg bestaat uit minstens 100 miljard afzonderlijke sterren. Als iemand dit getal zou tellen (1014) en hij zou dat ononderbroken dag en nacht op de maat van een seconde doen, dan zou een mensenleven hiervoor niet voldoende zijn. De benodigde tijd zou namelijk drie miljoen jaar bedragen! Het is wetenschappelijk totaal onopgehelderd hoe zulke reusachtige hoeveelheden van cellen zich organiseren tot een levensbelangrijk orgaan. Wat voor een programma bewerkstelligt de groei? Niemand heeft dat tot nu toe kunnen doorgronden. Als al onze geleerdheid voor het begrip niet voldoende is, hoe zal de doelloze strategie van de evolutie zo iets kunnen bereiken? Ook hier gaat het punt duidelijk naar model B. Het DNADoor computers onbereikte opslagtechniek In het binnenste van de cel, in haar microscopisch kleine kern, wordt het waardevolste materiaal van het lichaam bewaard – het genoom, de genetische informatie. Alles wat tot opbouw van het lichaam (bijv. de constructie van organen en ledematen, vervaardiging van alle chemische verbindingen) nodig is, is hier volmaakt precies geprogrammeerd. Van de bijna onvoorstelbare informatiedichtheid in de DNA-molecule willen wij een aanschouwelijke indruk geven. Stellen we ons zoveel DNA/materiaal voor, zoals het in het volume van een speldenkop zou passen. Dan zouden wij 15 biljoen pocketboeken met erin telkens 160 bladzijdes kunnen opslaan. Op elkaar gelegd zou er een boekenstapel ontstaan die nog 500 maal meer is dan de afstand van de aarde naar de maan. Raadt u maar eens, welk model hier het punt ontvangt. De hersenenHet meest complexe maaksel in het heelal Het brein is het centrale overkoepelende orgaan van ons zenuwstelsel dat bijna alle processen in het organisme stuurt, bewaakt en coördineert. Het verzamelt en verwerkt de indrukken van de zintuigen, slaat ze op en bewerkt haar zinvolle beantwoording. Over de eigenlijke informatieverwerking in de hersenen is zo goed als niets bekend. Maar één ding is zeker: er moet daar een groot aantal uitgekiende programma’s zijn die alle inkomende en uitgaande informatie kunnen verwerken, verrekenen en coördineren. Alles moet in reëel aflopende tijd en in parallelverwerking gebeuren. We weten niet hoe herinneringen opgeslagen en opgevraagd worden. Verder is onbekend hoe wij op nieuwe ideeën komen en hoe de interactieve samenwerking met ons niet-materiële deel, de ziel, functioneert. Het brein bestaat uit ongeveer 100 miljard zenuwcellen (neuronen). Hun aantal is in de orde van grootte van het getal van de sterren in onze melkweg. Elk neuron staat via synapsen met duizend andere neuronen in verbinding. Het is een netwerk van de hoogste complexiteit. Ook hier gaat er weer een punt naar model B. WaarnemingIn deze en de andere wereld De functies van de zintuigen van ons huidige lichaam vallen met de dood allemaal uit. Is de dood daarmee het absolute eindstation zoals atheïsten en vertegenwoordigers van de evolutie aannemen? De Bijbel zegt daartoe een duidelijk: NEE! We zijn volgens Gods plan eeuwigheidschepsels en ons bestaan kan niet worden uitgewist. In Lukas 16 vertelt de Heer Jezus over twee mensen. Hun aardse leven werd door de lichamelijke dood beëindigd. Maar ze bevonden zich ogenblikkelijk met hun volle bewustzijn in het hiernamaals. Bij de een speelde God in zijn levensconcept geen rol terwijl de ander, Lazarus, zich door God gedragen wist. De Heer Jezus beschrijft beide situaties na de dood: ‘Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham. De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in de pijnen verkeerde’ (Lukas 16:22-23). Ze hebben dus allebei door de dood de wereld verlaten en bevinden zich nu op een geheel andere plaats. Hoewel ze in dezelfde stad woonden, is hun tegenwoordige verblijfplaats nu totaal verschillend. De ene beleeft heerlijkheid en de andere bevindt zich op de plaats van pijnen. Voor niemand van ons eindigt het leven met de biologische dood. Voor dit feit hebben we een betrouwbare informatiebron. In de opstanding gebeurt de verandering van het aardse naar het eeuwige lichaam: ‘Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt’ (1 Korinthe 15: 44). Voor ons verblijf in de eeuwigheid noemt de Bijbel twee extreem verschillende plaatsen, de hemel en de hel, resp. de plaats van de heerlijkheid in de nabijheid van God en de plaats van de verdoemenis in de Godverlatenheid. Zouden we de hemel en de hel beschrijven dan zouden we het vanuit onze zintuigen zo zeggen: beide plaatsen zijn plaatsen van waarneming – of we ervaren eeuwig mooie dingen of eeuwig verschrikkelijke dingen. Wat onze verblijfplaats zal zijn, hangt af van onze positie ten opzichte van de Heer Jezus Christus. Exacter gezegd: of wij geloven in Hem of wij geloven niet in Hem. Ook hier wordt het punt aan model B gegeven omdat de atheïsten voor hun opvatting geen informatiebron bezitten. De mensEen geniale en geplande constructie Al aan de enkele overdachte details van de mens wordt duidelijk dat de mens zonder twijfel een geniale constructie is. Het is daarom onverstandig om aan te nemen dat wij het resultaat van een doelloos proces van een aan zichzelf overgelaten materie zijn. Zonder de aanname van een schepping lopen we vast in een warnet van evolutionaire gedachtesystemen en doen we geen recht aan de werkelijkheid. Volgens Romeinen 1:19 is de abstracte conclusie van het overdenken van de werken op het bestaan van de Schepper dwingend, want ‘van de schepping van de wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien’. Het is gemakkelijk te begrijpen dat alle punten duidelijk aan model B gegeven moesten worden. Aan de schepping van de mensen ligt, volgens de Bijbel, een plan ten grondslag: ’Laat ons mensen maken’ (Genesis 1:26). Op dit plan volgde onmiddellijk de uitvoering: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld’ (Genesis 1:27). Het Nieuwe Testament leidt ons dieper in de gedachten van de schepping en zegt bij de persoon van de Schepper: ‘Want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare’ (Kolosse 1:16). Van de Heer Jezus staat er: ‘Hem heeft Hij gesteld tot erfgenaam van alle dingen’ (Hebreeën 1:2). In Johannes 14:6 zegt de Heer Jezus de radicale zin: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij’. Hij is dus de enige ‘deur’ naar de hemel. Alleen Hij heeft voor onze zonden betaald. Daarom staat er: ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven’ (Johannes 3:36). Vraag daarom God om vergeving van al uw zonden, zodat u niet in het oordeel van God komt. Neem in het gebed de Heer Jezus aan als uw persoonlijke Schepper en Redder en volg Hem na. Dir. en Prof.Dr. Ing. Werner Gitt
Wer freut sich nicht über einen persönlichen Brief mit einer liebevollen Einladung? Wussten Sie, dass die Bibel als Brief Gottes an uns bezeichnet werden kann? In ihr spricht uns Gott eine Einladung ganz besonderer Art aus. Über die Wahrheit der Bibel gibt es zuweilen heftige Diskussionen. Jede Debatte über die Herkunft und das Wesen der Bibel bleibt letztlich wertlos, wenn das Wort Gottes uns nicht zur persönlichen Anrede wird. Selbst dem flüchtigen Leser der Bibel fällt sofort auf, dass das gesamte Neue Testament Briefcharakter trägt. Gott, der Urheber dieses Briefes, sendet ihn uns aus einem einzigen Grund: Er möchte die Menschen, die sich im Sündenfall von ihm entfernt haben, zurückgewinnen. Er möchte, dass keiner verlorengeht und startete mit dem Kreuz von Golgatha die größte Rettungsaktion der Weltgeschichte. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! De grootste uitnodiging De liefdesbrief aan ons Wie is er niet blij over een persoonlijke brief met een liefdevolle uitnodiging? Weet u dat de Bijbel als een brief van God gezien kan worden? In de Bijbel spreekt God over een heel bijzondere uitnodiging aan ons. Over de waarheid van de Bijbel zijn er soms heftige discussies. Elk debat over de herkomst en het wezen van de Bijbel blijft uiteindelijk waardeloos, wanneer we niet het Woord van God tot ons persoonlijk laten spreken. Zelfs de vluchtige lezer valt het meteen op dat het hele Nieuwe Testament het karakter van een brief heeft. Van de 27 geschriften worden al 21 door hun aanduiding als brieven gezien: bijv. Romeinenbrief, Korinthebrieven, Galatenbrief. Zoals uit de eerste verzen van het Lukasevangelie en de Handelingen al blijkt, zijn ook deze als brieven opgesteld. Zelfs het laatste boek van de Bijbel bevat meerdere korte brieven, die als zendschrijven (Openbaring 2 en 3) bekend zijn. Het kan geen toeval zijn, dat het evangelie van Jezus Christus voor ons in briefvorm wordt meegedeeld. Een brief is geen brokkelige verzameling van formules en geen nuchter wetboek, geen droog leerboek en geen encyclopedie met alle mogelijke feiten. De brief is het meest persoonlijke en individuele bericht, dat een liefhebbende zendt. Men kent en waardeert elkaar en deelt de ander de gevoelens van het hart mee. Men neemt deel aan de zorgen en vreugden en weet, de ontvanger begrijpt mij. De brief is een teken van de persoonlijke interesses en van de liefde. Het Nieuwe Testament en daar bovenuit de hele Bijbel, zou eigenlijk als een liefdesbrief van God aan ons gelezen moeten worden. God houdt van ons en Hij kent ons heel persoonlijk en daarom spreekt Hij ons aan in een briefvorm. Hij weet, wanneer wij moedeloos zijn en troost en bemoediging nodig hebben. Hij weet, waar wij gevaar lopen en daarom geeft Hij ons waarschuwingen, oriëntering en aanwijzingen. Hij weet, hoe ons de schuld en de zonde belasten en daarom spreekt Hij ons heel persoonlijk aan over vergeving. Hij weet, dat wij mensen doelloos ronddwalen en daarom gunt Hij ons een eeuwig doel. Hij weet van onze verlorenheid en daarom biedt Hij ons het eeuwige leven aan. Zijn Woord aan ons is altijd concreet, direct en wat betreft ons bestaan, behulpzaam. De Bijbel moet daarom met een liefhebbend hart en in een biddende houding gelezen worden. Wie zó de Bijbel benadert, wordt meer dan rijk gezegend maar wie kritisch en mopperend leest, gaat met lege handen weg. Gods verlangen God, de Auteur van deze Brief, zendt hem aan ons om één enkele reden: Hij wil graag de mensen, die zich door de zondeval van Hem verwijderd hebben, terugwinnen. Hij wil dat niemand verloren gaat en begint met het kruis van Golgotha aan de grootste reddingsactie van de wereldgeschiedenis. De brug naar het Vaderhuis is door de Heer Jezus gebouwd. Nu zoekt Hij onder ons wegwijzers. Hij heeft getuigen nodig, die anderen er van vertellen, hoe ze zelf hun reddding hebben ervaren. God heeft medewerkers, bidders en zielzorgers nodig, die tot assistenten van vreugde worden. Hij heeft mensen met hoop nodig in een wereld van angst en radeloosheid, van gelatenheid en reddeloosheid. Hij zoekt dragers van Zijn liefde in een wereld van haat, twist en oorlog. Hij zoekt zendelingen, die in hun naaste omgeving het evangelie verkondigen en zulke mensen, die tot aan de einden van de aarde gaan. Hij zoekt leraars, herders en evangelisten. Hij zoekt sprekers en schrijvers over het Woord. Om kort te gaan: Bij God zijn er geen werklozen; niemand is overbodig. De Afzender van de brief wacht op ons antwoord Hoezeer wachten wij op een antwoord, nadat we een brief hebben verstuurd. Hoeveel te meer God! Hij heeft ons Zijn liefde, niet slechts door het schrijven van een brief bekend gemaakt, maar door een daad. De losprijs voor onze zonden was uiterst hoog: ‘Jezus Christus, Die Zichzelf voor onze zonden heeft gegeven opdat Hij ons zou trekken uit deze tegenwoordige boze wereld‘ (Galaten 1:4). We zijn door het bloed van Christus duur gekocht (1 Petrus 1:19). De brief aan de Hebreeën geeft ons ernstig te bedenken: ‘Hoe zullen wij ontkomen als wij een zo groot heil veronachtzamen?‘ (Hebreeën 2:3). God wacht dus op een persoonlijk antwoord van ons. Wat zeggen wij tegen Zijn aanbod van heil? Met ons gebed kunnen wij God aanspreken en Hem zeggen dat Zijn brief ons bereikt heeft. Wij grijpen de, in Jezus, uitgestrekte hand van God aan en roepen Zijn naam aan, wat ons tot heil wordt (Romeinen 10:13). We kondigen de ontvangst van Zijn Woord aan met dank en lofzegging. Wanneer we steeds in Zijn Woord lezen (Jozua 1:8) en ons leven daar naar richten, worden we zelf tot een brief, die weer door anderen gelezen wordt. ‘U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen. U van wie gebleken is dat u een brief van Christus bent, door onze dienst opgesteld, geschreven niet met inkt, maar met de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen maar op vlezen tafelen van de harten‘ (2 Korinthe 3:2-3). Mag ons leven, wat mensen ‘lezen‘, tot een brief van God worden dat op andere mensen uitnodigend werkt. Pas wanneer we de Bijbel, als liefdesbrief aan ons van God lezen, staan we in nauwe verbinding met Hem. Weten is goed, maar liefde is beter. Van deze verbinding spreekt de Heer Jezus in Johannes 10:27-28: ‘Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand‘. Wie de stem van de Goede Herder gehoord heeft, weet dat ze uniek is. Wie deze Herder volgt, is van de dood naar het leven overgegaan. Aan hem is het eeuwige leven toegekend. We worden verwacht! In de loop van ons leven ontvangen wij veel uitnodigingen. Dat begint al bij kinderen met de uitnodiging voor een verjaardagsfeestje. Als volwassenen worden we voor diverse feesten zoals verjaardagsfeest, jubileum, tuinfeest en bruiloft uitgenodigd. Dan zijn er zeldzame gebeurtenissen, waarvan de uitnodigingen heel aantrekkelijk zijn: staatsontvangst, uitreiking van de Nobelprijs, kroonfeest van een koning. Van al deze feesten kan gezegd worden: Ze duren slechts een korte tijd. Vaak slechts één dag of maar één avond. Hoe unieker het feest is, des te belangrijker is de uitnodiging. Er is altijd een beperkt aantal deelnemers. De Bijbel spreekt ook over een uitnodiging voor een feest. In tegenstelling tot alle voor ons bekende feesten, is dit feest evenwel een eeuwig feest. De gastheer is de hoogste en de grootste, die er bestaat: Het is God Zelf. God organiseert een groot bruiloftsmaal, een feest van vreugde. Dat is het wezen van de hemel: eeuwige vreugde, eeuwige gemeenschap met God, eeuwig in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus. De hemel is dus niet een soort wereld toestand, niet een politieke volkeren gemeenschap, niet een door oecumenische gezichtspunten uitgewerkte staatsorde of een kloosterlijk ascetenleven. Dat alles zijn resultaten van menselijke gedachtensystemen. Maar God wil ons het leven en volledige voldoening schenken, hier op de aarde in een voorsmaak en boven in de hemel in zo’n volmaakte en onvoorstelbare wijze, dat Paulus het slechts zó kon uitdrukken: ‘Wat geen oog heeft gezien en wat geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben‘ (1 Korinthe 2:9). In Lukas 14:16-24 wordt het wezenlijke van deze uitnodiging voor de hemel in een gelijkenis beschreven: 1. Wie is er uitgenodigd? God kent geen uitzondering bij de genodigden. Het onvoorstelbare van deze boodschap is, dat God ieder mens waard acht om tot Hem te komen. Hij vraagt niet naar afkomst, beroep, nationaliteit, huidskleur, leeftijd of opleidingsniveau. Een grotere uitgestrektheid of ruimte bestaat er nergens. 2. Hoe vaak wordt er uitgenodigd? Het blijft niet bij één uitnodiging. God probeert het meerdere malen. In onze gelijkenis gaan er drie uitnodigingen uit. Het bijzondere gewicht van de roep tot het heil ligt altijd in het vandaag: ‘Heden, wanneer u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet‘ (Hebreeën 3:7-8). 3. Hoe wordt er uitgenodigd? De drie uitnodigingen in Lukas 14 worden steeds indringender. Staat er eerst: ‘Komt, want alle dingen zijn gereed‘ (vers 17), dan neemt het steeds meer toe bij de tweede uitnodiging: ‘Ga snel‘ en ‘breng binnen‘ (vers 21), en bij de laatste staat er: ‘dwing ze binnen te komen!‘ (vers 23). In het Nieuwe Testament komt het Griekse woord ‘anagkazo‘ negenmaal voor, vijfmaal is het met ‘nodigen‘ en viermaal met ‘dwingen‘ vertaald (vers 23). Hier steekt dus meer achter dan slechts een weifelend vragen. De knecht zet zijn hele persoonlijkheid in, alle middelen tot overreding, de waarheid, de liefde, de zachtmoedigheid, de hoffelijkheid, de standvastigheid en volharding, ja soms moet hij heel duidelijk worden om de mensen voor de hel te waarschuwen. 4. Hoe groot is het getal van de deelnemers? De genodigden, die in de gelijkenis genoemd worden, hebben allen jammer genoeg de uitnodiging verworpen, niet uit principiële overwegingen, maar wegens verkeerd gestelde prioriteiten. Zo droevig is het. Vers 24 beschrijft de bittere waarheid over diegenen, die niet ingingen op de uitnodiging: ‘Want ik zeg u dat niemand van die mannen, die genodigd waren, van mijn avondmaal zal proeven‘. Ze waren dus geroepen maar ze kwamen niet. Nu vindt het feest plaats zonder hen. Zij blijven eeuwig buiten. De Bijbel noemt deze eeuwige verlorenheid: hel. De uitnodiging van God geldt vandaag nog voor ieder van ons. Wat is uw beslissing? De tafel wordt in elk geval vol. De Bijbel spreekt van de voltalligheid, dus een getal dat al bij God bekend is. Wanneer de laatste plaats bezet is, komt er geen uitnodiging meer. In Jeremia 8:20 wordt dit in het beeld van de oogst duidelijk gemaakt: ‘Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en wij zijn niet verlost!‘ 5. Waarom zijn we uitgenodigd? De reden voor Gods uitnodiging aan ons vinden we heel snel, want in 1 Johannes 4:16 staat: ‘God is liefde‘. Zijn wezen is liefde en Zijn liefde is ook de bron van alle liefde, die er bij ons mensen is. In Jeremia 31:3 spreekt God ons direct aan: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid‘. Verder zegt God ons in ronduit proclamerende taal: ‘Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft‘ (Ezechiël 33:11). 6. Hoe wordt de uitnodiging aangenomen? Voor de entree naar de hemel is de Heer Jezus bevoegd, want ‘Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door het geloof, in Zijn bloed‘ (Romeinen 3:25) en zonder Hem komt niemand tot de Vader (Johannes 14:6). Hij vergeeft alle zonden en Hij reinigt ons van alle ongerechtigheid wanneer wij onze zonden met oprechte harten belijden (1 Johannes 1:9). Door ons gebed, doordat we ons leven met alle zonden en mislukkingen aan de Heer Jezus overgeven, hebben wij de uitnodiging aangenomen. ‘Maar allen, die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht om kinderen van God te worden, hun die in Zijn naam geloven‘ (Johannes 1:12). Slechts met het daardoor geschonken, reine bruiloftskleed (Mattheüs 22:11; Openbaring 3:4;7:9;7:14 en 19:8) krijgen wij toegang tot de hemel. De liefde van God is altijd universeel. Bij Hem is er geen partijdigheid, geen vooroordelen en geen naar sympathie uitgekozen liefde. Hij wil graag elk mens in Zijn liefde aannemen. De uitgestrektheid is evenwel niet te vatten en toch heeft ze ook een beperking, die de Bijbel niet verzwijgt: Wie de uitnodiging in de wind slaat, wie zich niet aan de Heer Jezus toevertrouwt, blijft eeuwig verloren. De bekende schrijfster Corrie ten Boom (1892-1983), schreef (in: ‘Gevangenen maakt Hij vrij‘) zeer treffend: ‘We kunnen allen in de hemel komen zonder gezondheid, zonder rijkdom, zonder roem, zonder geleerdheid, zonder opleiding, zonder schoonheid, zonder vrienden, zonder 10.000 andere dingen, maar we kunnen nooit in de hemel komen zonder Jezus Christus‘. Wanneer u na het lezen van deze brochure erkend hebt, dat de Heer Jezus de enige weg tot uw redding is en u Hem van nu af aan met uw hele hart wilt volgen, dan kunt u dat bijv. door het volgende gebed aan Hem bekend maken: ‘Heer Jezus, ik heb vandaag gelezen, dat ik slechts door U in de hemel kan komen. Ik zou graag eenmaal bij U in de hemel zijn. Redt mij daarom van de hel waarin ik wegens al mijn schuld eigenlijk zou moeten komen. Omdat U zoveel van mij houdt, bent U ook voor mij aan het kruis gestorven en hebt daar de straf voor mijn zonden betaald. U ziet al mijn schuld – ook vanaf mijn jeugd. U kent iedere zonde, alles, waar ik mij bewust van ben, maar ook alles, wat ik al lang vergeten heb. U kent elke opwelling van mijn hart. Voor U ben ik als een open boek. Zoals ik ben, kan ik niet bij U in de hemel komen want ik heb tot hier toe zonder U geleefd. Ik vraag U, vergeef mij mijn zonden, waar ik oprecht spijt van heb. Komt U nu in mijn leven en maak alles nieuw. Help mij, alles af te leggen, wat niet goed is in Uw ogen en schenk mij nieuwe gewoontes, die onder Uw zegen staan. Open mij de toegang tot Uw Woord, de Bijbel. Help mij te begrijpen, wat U mij zeggen wilt en geef mij een gehoorzaam hart, opdat ik doe wat U behaagt. U zult van nu af aan mijn Heer zijn. Ik wil U volgen, wijs mij de weg, die ik moet gaan in alle gebieden van mijn leven. Ik dank U dat U mij verhoord hebt, dat ik nu een kind van God mag zijn, dat eenmaal bij U in de hemel zal zijn. Amen‘. Dir. u. Prof. a.D. Dr.-Ing. Werner Gitt
Jesus – an ihm scheiden sich die Geister, und an ihm scheiden sich auch Lebenswege. War er nur ein Religionsgründer unter vielen anderen, ein Sozialreformer oder ein vorbildlicher Mensch, der bereit war, für seine Idee zu sterben? Ja, dann können wir ihn getrost beiseitelassen. Ist er aber Gottes Sohn, der vom Himmel kam, um uns durch Kreuz und Auferstehung das ewige Leben zu geben, dann hat er für uns die allergrößte Bedeutung. Würden wir ihn ablehnen, dann wäre das am Ende unserer Tage die größte Katastrophe, nämlich der Verlust des ewigen Lebens. Gaat het ook zonder Jezus? Jezus - over Hem zijn de meningen zeer verdeeld en de naam van Jezus brengt scheiding in onze levens. Was Hij slechts een oprichter van een godsdienst, een sociale hervormer of een voorbeeldig mens die bereid was om voor zijn idee te sterven? Als dat zo is, kunnen we Hem rustig uit ons leven bannen. Maar als Hij Gods Zoon is, Die van de hemel kwam om ons door het kruis van Golgotha en Zijn opstanding het eeuwige leven te geven, dan heeft Hij voor ons de allergrootste betekenis! Als we Hem af zouden wijzen, dan zou dat aan het einde van ons leven de grootste catastrofe zijn, namelijk het verlies van het eeuwige leven. Moslims wenden zich uitsluitend tot Allah en wijzen Jezus als de Zoon van God radicaal af. Daarom bidden ze ook nooit tot Hem. De Jehova’s Getuigen richten hun gebeden uitsluitend tot Jehova, maar nooit tot Jezus. Bij de opening van het Canadese parlement werd vroeger tot Jezus gebeden. Na talrijke protesten werd Jezus als Degene tot Wie men kan bidden, doorgestreept om tot te bidden. Nu wordt daar uitsluitend nog tot God gebeden. De Farizeeën en Schriftgeleerden – tijdgenoten van de Heer Jezus, keerden zich tegen Jezus. Ze namen aanstoot aan Zijn bewering de Zoon van God te zijn. Ze beschuldigden Hem zelfs van Godslastering, toen „Hij God Zijn eigen Vader noemde zodat Hij Zich aan God gelijk maakte“ (Johannes 5:18) en zij probeerden daarna Hem te doden. Als het om de vraag gaat tot wie we ons moeten richten in het gebed, dan bestaat er over deze vraag grote verwarring. Maar in het Woord van God vinden wij een heel duidelijk antwoord. De brug van Parana In Paraguay stond ik aan de oever van een buitenwoon brede rivier – het was de Parana! Hij ontspringt in Brazilië, is ongeveer 4.000 km lang en vormt met de Rio Uruguay de delta van de Rio de la Plata met een enorme hoeveelheid waterafvoer van 18.000 liter per seconde. Staat men aan de oever van de Parana, dan lijkt het of men voor een reusachtig meer staat. Laten we ons eens voorstellen dat God aan de andere kant van deze brede rivier zou zijn, en dat wij tot Hem zouden willen komen. De rivier heeft zo’n sterke stroming, dat niemand zoveel kracht heeft om naar de andere kant van de rivier te zwemmen. Bovendien zouden krokodillen ons voornemen kunnen dwarsbomen. We hebben dus geen enkele kans om tot God te komen. Daarom laat God een brug bouwen en verklaart aan ons: „Ik heb voor jullie een brug naar Mij toe gebouwd, er is er maar één. Als jij tot Mij wilt komen, moet je deze brug gebruiken. Er is geen andere weg. Deze brug heet Jezus!“ Jezus is de enige door God gezonden Redder! Jezus is de, door God de Vader, gezonden Redder – dat laten veel uitspraken van het Nieuwe Testament zien: „Zij nu (= Maria) zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden“ (Mattheüs 1:21). „Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden“ (Johannes 2:17). „Ik (= Jezus) ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden“ (Johannes 10:9). „Wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven“ (Johannes 5:24). Een grote provocatie in onze multiculturele samenleving is het woord van de Heer Jezus in Johannes 14 vers 6: „Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij“. Maar deze duidelijkheid is juist het kenmerk van de Heer Jezus. Jezus is God! Of Jezus Gods Zoon is of niet, is de belangrijkste vraag want van de juiste beantwoording van deze vraag hangt onze eeuwige verblijfplaats af. Geen enkel mens kan ons dit antwoord geven dan God alleen in Zijn Woord. De onderstaande Bijbelse uitspraken (A1 tot A5) laten zien dat Jezus God is: A1: De macht van Jezus om zonden te vergeven. Vier mannen brachten een verlamde man naar Jezus (Markus 1:1-12). Vanwege de grote mensenmenigte in het huis, maakten ze het dak open en lieten hun vriend op zijn rustbed naar beneden zakken. Jezus zei tegen de verlamde man (Markus 2:5): „Uw zonden zijn vergeven“. Enkele schriftgeleerden waren ooggetuigen en dachten: „Waarom spreekt Deze zo? Hij lastert, Wie kan zonden vergeven dan God alleen?“ (Markus 2:7). Ze wisten uit het Oude Testament dat alleen God zonden kan vergeven. Nu zouden ze tot de conclusie hebben moeten komen: Hij, Die hier voor ons staat, moet God zijn! A2: Het gezag van Jezus: Jezus verklaarde in Johannes 5:19: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat Die doet, dat doet ook de Zoon evenzo“. De tweede helft van het antwoord van Jezus – dat alles, wat de Vader doet, de Zoon evenzo kan doen – toont onmiskenbaar aan, dat Jezus God is! Want wie kan alles doen wat God doet? Alleen Hij (= Jezus), Die Zelf God is! A3: De aanbidding van Jezus: Volgens het Bijbelse getuigenis mag alleen God aangebeden worden – geen engel, geen mens, Maria niet, ook geen zogenaamde heiligen! (Openbaring 22:8-9). Op veelvoudige wijze wordt de Heer Jezus aangebeden. Dit bewijst duidelijk dat Hij God is: De Wijzen uit het Oosten waren gekomen om Jezus te aanbidden: „Wij hebben Zijn ster gezien in het oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden … en zij vielen neer en aanbaden het Kind“ (Mattheüs 2:2, 11). Bij de steniging van Stéfanus bidt deze tot Jezus: „Heer Jezus, ontvang mijn geest“ (Handelingen 7:59). Hij kon meteen een blik in de hemel werpen en zag Jezus staan aan Gods rechterhand. Toen Thomas voor de eerste keer de Opgestane zag, twijfelde hij of het Jezus was, totdat hij de tekenen in Zijn handen en Zijn zijde zag die door de kruisiging waren veroorzaakt. Toen erkende hij Jezus als God en aanbad Hem: „Mijn Heer en mijn God“ (Johannes 20:28). Van de discipelen wordt gezegd: „En zij aanbaden Hem (= Jezus) en keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap“ (Lukas 24:52). Volgens Hebreeën 1:6 aanbidt de hele engelenwereld de Heer Jezus: „En laten alle engelen van God Hem (= Jezus) aanbidden“. Ja, zelfs alle schepselen in de hemel en op de aarde brengen het Lam (= Jezus) lof en aanbidding: „En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid“. (Openbaring 5:14). A4: Het eeuwige bestaan van de Heer Jezus en Zijn werkzaamheid in de schepping: Het begin van het evangelie van Johannes luidt: (Johannes 1:1-3): „In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is“. Dus duidelijk zien we de Godheid van de Heer Jezus als wij voor “Woord“ Jezus gebruiken want in vers 14 wordt gezegd, dat Jezus het Woord is. In het begin was Jezus, en Jezus was bij God, en Jezus was God. Jezus was in het begin bij God. Alle dingen zijn door Jezus geworden en zonder Jezus is niet één ding geworden wat geworden is. A5: Meerdere bewijzen van de Godheid van de Heer Jezus: Romeinen 9:5: „Christus…, Die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen“. Deze uitspraak, dat Jezus God is, wordt door het “Amen“ nog bekrachtigd! Johannes 5:20: „Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven“. Jezus is dus God in Persoon en ook het eeuwige leven in Persoon. Dus God en Mens in één Persoon! Hebreeën 1:8: In Psalm 45:7 staat er: „Uw troon, o God! is tot in alle eeuwigheid“. Deze tekst wordt in Hebreeën 1:8 geciteerd en daar direct op Jezus toegepast: „Maar van de Zoon staat er (Psalm 45:7): Uw troon, o God, is tot in alle eeuwigheid“. Openbaring 1:8: Wie zegt er in Openbaring 1:8: „Ik ben de alfa en de oméga, zegt de Heer, God, Hij Die is en Die was en Die komt, de Almachtige“? Het is de Heer Jezus Die terugkomt en het is overduidelijk Jezus! Dus is Jezus, God, de Heer!“ - Jezus is de Almachtige!“- Jezus is de alfa en de oméga – Hij is het begin en het einde! Ook in Openbaring 15:3 wordt Jezus als de almachtige God aangeduid: „En zij zingen … het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer, God, de Almachtige!“ Zonder Jezus hebben wij God, de Vader, niet! Sommigen denken dat het voldoende is om in God de Vader te geloven en tot Hem te bidden. Maar leert de Bijbel dat ons? Enkele teksten om dit te bewijzen geven uitsluitsel over deze vraag: „Opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet Die Hem heeft gezonden” (Johannes 5:23). „Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet; wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader“ (1 Johannes 2:23). „Wie in Hem (= Jezus) gelooft wordt niet geoordeeld; maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God“ (Johannes 3:18). Zonder Jezus hebben wij geen eeuwig leven! Naar God de Vader en in Zijn hemel, kunnen we slechts door de Heer Jezus komen. God Zelf heeft dat zo beschikt dat wij eeuwig leven alleen door de Heer Jezus ontvangen. Daarom lezen we in Romeinen 3:25: „Hem (= de Heer Jezus Christus) heeft God gesteld tot een genadetroon door het geloof in Zijn bloed“. Het Nieuwe Testament beklemtoont: Jezus is de enige weg tot de Vader: „Ik (Jezus) ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij“ (Johannes 14:6). Jezus is de enige Middelaar tussen God, de Vader en ons: „Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus“ (1 Timotheüs 2:5). Voor deze functie heeft God noch Maria nog een heilige ingezet. Jezus is de enige Zaligmaker: „En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden“ (Handelingen 4:12). Houden we vast: Om tot God in het Vaderhuis te komen, hebben we Jezus nodig! Er is geen andere mogelijkheid. De in de titel gestelde vraag „Gaat het ook zonder Jezus?‘, is dus met een duidelijk NEE te beantwoorden. Niemand van de zogenaamde redders buiten Jezus voldoet aan de benodigde kwalificaties en dus komt enkel en alleen Jezus als Redder in aanmerking. Hoe loop ik over de brug? Verwijzend naar de al genoemde brug van Parana stellen we ons een wandelaar voor, die de grote brug met het opschrift „Jezus“ ziet. Van horen zeggen moeten er nog andere bruggen zijn. Hij loopt langs de rivier naar beneden en vindt nog enkele loopplanken bijv. met het opschrift: Islam, Hindhoeïsme, Boeddisme, Jehova’s Getuigen. Ze kijken uit naar een oversteek mogelijkheid maar eindigen al na een paar meter en brengen iemand dus niet over de brede rivier. Dus benut hij uiteindelijk de enige werkelijke brug. In Johannes 16:9 spreekt Jezus over de grootste misstap (zonde) die zoveel mensen begaan, namelijk ‘van zonde, dat ze in Mij niet geloven‘. Deze zonde scheidt ons van God, maar u kunt met uw zonden naar God toe en alles Hem belijden en in beeld gesproken over de brug „Jezus“ heenlopen, dat betekent als u Hem aanneemt in het geloof en Zijn navolger wordt. U kunt altijd tot God en de Heer Jezus spreken en u kunt dat doen als volgt of helemaal met uw eigen woorden: „Heer Jezus Christus, Ik heb mijn verloren situatie ingezien omdat ik tot nu toe zonder U geleefd en gehandeld heb. Ik smeek U om hulp. Vergeef mij de schuld van mijn leven. Mijn leefwijze was verkeerd omdat ik zonder U geleefd heb. Ik keer om tot God en ik geloof dat U Heer Jezus op Golgotha voor mijn zondenschuld gestorven bent in mijn plaats. U hebt de straf op het kruishout gedragen die ik verdiend had vanwege mijn zonden. Ik dank U dat u mij hebt aangenomen en dat ik nu een kind van God ben en op weg ben naar de hemel en dat U mij voor eeuwig van mijn zonden hebt bevrijd. Amen.” Direktor und Professor a.D. Dr.-Ing. Werner Gitt
Prof. Dr. Werner Gitt erklärt in dieser Schrift den Heilsplan Gottes - angefangen bei der Geburt Jesu (Krippe), über seinen Tod (Kreuz), bis hin zur Entrückung und ewigen Herrlichkeit (Krone). Gott schuf Abhilfe für die "Urkatastrophe" der Menschheit, den Sündenfall. Wie in der Bibel vorhergesagt, sandte er seinen Sohn auf die Erde. "Nie aber hat die Welt einen Gott gesehen - bis es Weihnachten wurde." Das Kreuz wurde für Kritiker zum Anstoß. Sie verstehen nicht, wie ein "Hinrichtungsinstrument" zum Zentrum eines Glaubens werden kann. Prof. Dr. Gitt sieht diese Kritik als Indiz, dass die Menschen ihr Sündenbewusstsein verloren haben: Es gab keinen anderen Weg für die Rettung des Menschen, weil die Trennung zwischen Gott und uns durch die Sünde so groß ist. Wenn Jesus einmal wieder kommt, wird man ihn als König erkennen. Dann wird die Menschheit zweigeteilt sein in Angenommene und Verworfene. Für diejenigen, die Jesus in ihr Leben aufnehmen wollen, gibt es ein vorformuliertes Gebet, das ihnen dabei hilft. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Kribbe, kruis en kroon De oercatastrofe Altijd weer woedden er catastrofen in onze wereld: Door de tsunami in december 2004 stierven ongeveer 160 duizend mensen, de ondergang van de Titanic eiste 1522 levens en de Tweede Wereldoorlog kostte 50 miljoen mensen het leven. Toch was de oercatastrofe de zondeval in de hof van Eden. Zij is de oorzaak van alle andere catastrofen, die ooit de aarde getroffen hebben. De zonde bracht de scheiding van de mensen met God. Maar zonder God geraakte de wereld in de draaikolk van de eeuwige verlorenheid. Zou God ook slechts één enkele zonde in de hemel toelaten, dan zou er ook daar leed en dood komen en dat wil God niet. Het breekt het hart van God: De mensen, die Hij geschapen en liefheeft, hebben zich van Hem afgewend. Daarmee hebben zij zich de dood op de hals gehaald. Oh, hoe verschrikkelijk! Er is een spreekwoord: ‘Tegen de dood is geen kruid gewassen’. Zelfs geen gewas uit de hof van Eden! Maar misschien heeft God een middel? Gods uitkomst – Hij zond Zijn Zoon God had al in de hof van Eden een reddingsplan en kondigde – wanneer ook nog niet zo duidelijk, dat meteen na de zondeval aan: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad. Dit zal u de kop vermorzelen’ (Genesis 3:15). In een ketting, die niet wil eindigen van profetische uitspraken wordt altijd weer op de komende Redder gewezen, zoals bijv.: ‘Een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël’ (Num. 24:17). ‘En gij Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn over Israël en Wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (Micha 5:1) De allerlaatste aankondiging van de Redder bracht een engel over, toen hij Jozef de geboorte en de naam van het hemels Kind openbaarde: ‘Maria, uw vrouw . . . zal een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven want Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden’ (Mattheüs 1:20-21). In de loop van de geschiedenis zijn er veel personen over het wereldtoneel gegaan, die zich onder de mensen een naam hebben gemaakt: keizers en koningen, dichters en filosofen, goeroes en tovenaars, goede en slechte. Maar nooit heeft de wereld een God gezien – tot het Kerstmis werd. Het Kind in de kribbe is niet zo’n god, zoals hem de Grieken op de Olympus of de Germanen in het Walhalla zich hebben voorgesteld. Hij is de Enige, Die kon zeggen: Ik ben de Schepper, door Wie alles is gemaakt (Johannes 1:1, 3); ‘Ik ben de waarheid’ (Johannes 14:6), ‘Ik ben de goede Herder’ (Johannes 10:11), ‘Ik ben de deur’ [naar de hemel] (Johannes 10:9). Welke weg nam Hij naar de wereld toe? Kwam Hij met pauken of trompetten of donderend geraas? Kwam Hij met de hemelse legerscharen? Nee! God koos een ongetrouwde vrouw, Maria uit Israël, die genade bij Hem vond om Gods Zoon ter wereld te brengen. Daarmee verraste Hij ook de Joden, die over hun Messias bijv. de volgende profetische woorden wisten: ‘Zie, uw Koning komt tot u’ (Zacharia 9:9), of ‘Hij zal al die koninkrijken verbrijzelen’ (Daniël 2:44). Ze verwachtten daarom geen Kind in de kribbe maar een koning! Deze zou vol van macht optreden en de Romeinen uit Israël verjagen, Zijn residentie in Jeruzalem oprichten en de hogepriesters en schriftgeleerden tot minister benoemen. Maar zo kwam de Heer Jezus niet en daarom wezen de Joden Hem af. Ze hadden die Schriftplaatsen over het hoofd gezien, die verklaarden dat Hij eerst als een Kind moest komen: ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven’ (Jesaja 9:5). Van Deze Ene hangt het af, of wij de eeuwigheid in de hemel of in de hel zullen doorbrengen. Deze Messias is door drie K’s gekenmerkt: Kribbe (deze eerste K symboliseert het komen van de Heer Jezus in de wereld). Kruis (deze K symboliseert onze redding, die de Heer Jezus aan het kruis heeft bewerkt). Kroon (deze K symboliseert de kroon van de Heer Jezus bij Zijn wederkomst als Koning). Geen kruis zonder kribbe! Geen kroon zonder kruis! Zonder kribbe en zonder kruis geen hemel voor ons! Daarom moest het eerst Kerstmis worden! Wat is de ergernis van het kruis? Critici van het christelijke geloof stellen altijd weer de vraag: Waarom deze meedogenloze dood aan het kruis? Bij uw geloof gaat alles om een instrument voor een terechtstelling. Kon God geen aangenamere weg gaan om met ons mensen in het reine te komen? Waarom was de weg van verzoening met dood, pijnen, tranen en verdriet geplaveid? Zou het ook niet iets netter, esthetischer en stijlvoller hebben kunnen gaan? Zou God niet eenvoudig bij onze menselijke tekortkomingen een oogje dicht hebben kunnen doen? Alle ‘waaroms’ hebben geen houvast omdat ze de zonde als iets onschuldigs houden. En dat schijnt mij de ziekte van onze tijd te zijn. Slechts aan het kruis kunnen wij aflezen wat wij in geen boek van filosofen en denkers vinden: Het kruis laat ons zien welke diepe kloof de zonde heeft gescheurd tussen God en mensen. De afgrond is zo onmetelijk, dat de hel het gevolg daarvan is (Mattheüs 5:29). Het kruis geeft ons een realistische voorstelling er van hoe ver God in Zijn liefde tot ons gaat, namelijk zo ver, dat Hij Zich met Zijn Zoon letterlijk het liefste van Zijn hart liet afscheuren. Het kruis van de Heer Jezus is de diepste neerbuigendheid van God. De Schepper van het heelal en alle leven laat Zich terechtstellen als een misdadiger, zonder Zich te verweren. Welk een hoge prijs voor de zonde! Maar daardoor kan de Heer Jezus iedere zondaar bij Zich uitnodigen: ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Johannes 6:37). Maar het geldt ook: wie niet komt, is verloren – zelfs voor eeuwig! Het kruis markeert ook het einde van alle menselijke wegen tot verlossing. Daarom kon de Heer Jezus zo uitsluitend verkondigen: ‘Niemand komt tot de Vader, dan door Mij’ (Johannes 14:6). Alle religies zijn in het aangezicht van het kruis slechts glinsterende fata morgana’s in de woestijn van een verloren mensheid. De boodschap van Kerst is samen met de boodschap van het kruis een unieke reddingsboodschap: ‘Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te behouden’ (Mattheüs 18:11). Hij komt weer De Heer Jezus zal een tweede keer in deze wereld komen. Maar dan niet meer als Kind in de kribbe, maar als Koning, Rechter en Wereldheerser. In Mattheüs 24:30 heeft Hij deze gebeurtenis duidelijk voorspeld: ‘En dan zal het teken van de Zoon des Mensen verschijnen in de hemel. En dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met kracht en grote heerlijkheid’. Wat een reden voor vreugde! De Schepper van de wereld verschijnt! De Redder van de wereld komt! Maar waarom staat er in Openbaring 1:7: ‘en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen’.? Waarom roepen zij: ‘bergen en rotsen, valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem!’ (Openbaring 6:16)? Velen hebben tijdens hun leven van de noodzakelijke beslissing voor deze Jezus gehoord, maar ze zeiden ‘neen’! Nu zijn zij verloren en kunnen niets meer herzien. Het is definitief te laat. Daarom schreeuwen en weeklagen zij. De meeste mensen gaan wegen, waarin de Heer Jezus niet voorkomt. De vindingrijkheid daarbij is groot. Zo zei bijvoorbeeld de bekende Amerikaanse actrice Shirley Mac-Laine, die met haar hond op een ranch leeft: ‘Met mijn hond Terry heb ik zelfs een eigen god aan mijn zijde – hij is namelijk de reïncarnatie van de Egyptische god Anubis, die de gestalte van een hond heeft. Dat kan een beetje vreemd klinken, maar Terry en ik hebben al minstens een gemeenschappelijk leven in het oude Egypte doorgebracht. Hij een diergod en ik een prinses. Nu heeft het leven ons vernieuwd bij elkaar gebracht’. Jezus komt zichtbaar weer: ‘Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien. Ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen’ (Openbaring 1:7). Toen op 20 juli 1969 Neil A. Armstrong als eerste mens zijn voet op de maan zette, hebben 500 miljoen mensen deze gebeurtenis op de televisie gevolgd. Lady Diana uit Engeland kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Toen op 6 september 1997 in London de tot dan toe grootste begrafenis aller tijden plaatsvond, hebben 2,5 miljard mensen dit op de televisie gezien, veertig procent van de wereldbevolking! Daarom ging deze uitvaart als eerste ‘wereldbegrafenis’ de geschiedenis in. Maar voor de komst van de Heer Jezus is er geen camera nodig. Alle mensen zullen deze grootste gebeurtenis van de wereldgeschiedenis ‘live’ beleven. Voor iedereen zal de Heer Jezus dan zichtbaar zijn. Dat geldt niet alleen voor de wereldbevolking, die in die tijd zal leven, maar voor alle generaties van de geschiedenis van de mensheid. Ook alle lezers van dit artikel zijn daarbij. Dan staat er slechts nog één vraag ter discussie: Bij welke groep hoor ik? Tot de menigte van geredde mensen of tot de menigte van verloren mensen? De Heer Jezus komt plotseling weer: ‘Want zoals de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn’ (Mattheüs 24:27). In één enkel ogenblik zal Hij op de hele aarde tegelijkertijd te zien zijn. Op welke tijd van de dag zal dat zijn? Het antwoord vinden we in Lukas 17:34: ‘In die nacht zullen er twee op één bed zijn. De een zal weggenomen, en de ander achtergelaten worden’. Dus in de nacht!? Maar twee verzen verder staat er: ‘Twee zullen op de akker zijn (= overdag!); de een zal weggenomen en de ander zal achtergelaten worden’. Mij is niet bekend of Columbus, de ontdekker van Amerika, deze tekst kende. Hij zou daaruit de volgende conclusies hebben kunnen trekken: Wanneer de wederkomst in één enkel ogenblik zal gebeuren en de Bijbel dit zowel als een situatie overdag als ook in de nacht beschrijft, dan is dat alleen maar mogelijk op één aardbol. Deze beide verzen laten nog wat zien wat wezenlijk is. Bij de wederkomst is er een tweedeling van de mensheid: Er wordt verschil gemaakt tussen aangenomen en verworpen mensen. Daarmee is het eigenlijke probleem van de mensheid aangeroerd. Slechts één vraag telt: Hoor ik bij de geredde mensen of bij de verloren mensen? Al besloten? God heeft alle mensen als persoonlijkheden geschapen, die over een vrije wil beschikken. Dit onderscheidt ons duidelijk van de dieren. De vrije wil veroorlooft ons beide dingen – ons van God te verwijderen of tot God te naderen. God heeft in Christus alles gedaan om voor ons de weg naar de hemel te openen. Toch leert de Bijbel zeer nadrukkelijk en waarschuwend, dat niet allen de weg naar het heil betreden. Wat zou God dan kunnen doen? Als God de vrije wil van ons zou afnemen dan zou Hij ons van onze persoonlijkheid hebben beroofd. We zouden dan machines, marionetten of robotten zijn, die enkel en alleen hun voorgeprogrammeerde handelingen zouden kunnen uitvoeren. In deze tijd maar ook in de toekomst is de vrije wil een belangrijk bestanddeel van de persoonlijkheid. Van onze keuze hangt daarom ook ons eeuwig verblijf af. Hebben wij ons ingesteld op deze komende dag? In de gelijkenis van de tien maagden maant de Heer Jezus ons tot bereidwilligheid. Hij geeft ons te bedenken: alle tien waren toch ‘gelovig’, ze geloofden vast: de bruiloft vindt plaats. Toch handelden niet allen naar hun overtuiging. En slechts vijf bereikten het doel. Tegen diegenen, die niet bereid waren, zegt de Heer Jezus: ‘Ik ken u niet!’ (Mattheüs 25:12). Daarmee hebben zij een hele eeuwigheid gemist. Het gebeurde, zoals Heinrich Kemner een keer zei: ‘Men kan zich ook de hel in slapen!’ Van Hermann Bezell stamt de indringende waarschuwing: ‘Men kan de kerkenbanken stuk schuren en toch verloren gaan’. ‘Gelovigen’, die slechts feiten beamen, maar die feiten niet voor hun persoonlijk leven toepassen, zetten het eeuwig leven op het spel. Alle drie of geen van de drie Elk jaar opnieuw met Kerstmis wordt door velen graag het Jezus Kind in de kribbe gevierd. Vaak blijft het daarbij. Maar de drie K’s zijn niet te scheiden. Bij de Heer Jezus hoort de kribbe bij Zijn Menswording, het kruis bij Zijn lijden met aansluitend de opstanding maar ook de kroon van Zijn koninkrijk, dat bij Zijn wederkomst voor iedereen openbaar wordt. Dat was vanaf het begin Gods reddingsplan tegen de oercatastrofe van deze wereld. De laatste catastrofe, die de mensen zonder de Heer Jezus zullen beleven, is de hel. Triest genoeg zal de hel meer mensenlevens eisen dan alle catastrofen in de geschiedenis en deze dood duurt eeuwig! Maar met Kerstmis, en niet alleen dan, vraagt God aan ons persoonlijk, of wij het geschenk ´kribbe, kruis en kroon´ willen aannemen. Zeg toch ja en neem de zonden vergeving door de Heer Jezus Christus aan en bidt daarvoor ernstig! Uw gebed kan ongeveer als volgt luiden: ‘Heer Jezus, ik heb vandaag gelezen dat ik slechts door U in de hemel kan komen. Ik wil graag op een keer bij U in de hemel zijn. Redt mij daarom van de hel, waarin ik door mijn schuld zou komen. Omdat U mij zo zeer lief hebt, bent U ook voor mij aan het kruis gestorven en hebt daar de straf voor mijn zonden betaald. U ziet al mijn schuld – vanaf mijn kinderjaren. U kent elke zonde, alles wat mij nu bewust is, maar ook alles, wat ik al lang vergeten ben. U kent elke opwelling van mijn hart. Voor U ben ik een open geslagen boek. Zoals ik ben, kan ik niet bij U in de hemel komen. Ik vraag U, vergeef mij mijn zonden, waarvan ik oprecht spijt heb. Kom nu in mijn leven en maak het nieuw. Help mij om alles weg te doen wat voor U niet goed is en schenk mij nieuwe gewoontes, die onder Uw zegen staan. Open mij de toegang tot Uw Woord, de Bijbel. Help mij dat ik begrijp, wat U mij wilt zeggen en geef mij een gehoorzaam hart, opdat ik doe wat U behaagt. U zult vanaf nu mijn Heer zijn. Ik wil U volgen, laat mij de weg zien, die ik moet gaan in alle gebieden van mijn leven. Ik dank U, dat U mij verhoord hebt, dat ik nu een kind van God mag zijn, dat eenmaal bij U in de hemel zal zijn. Amen. Dr.-Ing. Werner Gitt Directeur en Professor
Die Verteilschrift „Reise ohne Rückkehr“ von Prof. Dr. Werner Gitt zur enthält die Botschaft von zwei Zügen, die unterwegs sind Richtung Ewigkeit. Der „Lebenszug“, hat den Himmel als Ziel, der „Todeszug“ dagegen fährt in die ewige Verdammnis. Jeder wird eingeladen, vom Todeszug in den Lebenszug umzusteigen. Dies ist möglich für den, der Vergebung seiner Sünden durch Jesus Christus bekommt und ihn als Retter seines Lebens im Glauben annimmt. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Reis zonder terugkeer In een kerk in Zuid Tirol liggen op een lage muur vier mensenschedels. Daarboven hangt een bord met het opschrift: ‘Wie was de dwaas? Wie de wijze? Wie de bedelaar? Wie de keizer?‘ Inderdaad: men ziet niets meer van de macht en de rijkdom van de keizer. De schedel van de bedelaar kan direct ernaast liggen maar niets getuigt meer van zijn armoede, zijn lompen en zijn knorrende maag. We zijn misschien geneigd om een tweede bord te maken met het opschrift: ‘De dood maakt hen alle gelijk!’ We zullen in het vervolg kijken of dat gerechtvaardigd zou zijn. In de reclamebranche probeert men zich op bepaalde klasse van kopers in te stellen. Dat betekent dat men zich oriënteert op speciale doelgroepen. Maar de dood daarentegen kent geen bepaalde doelgroep omdat niemand aan de dood voorbij gaat. Daarom hebben er ook veel mensen zich met de dood bezig gehouden: filosofen, dichters, politici, sportmensen, toneelspelers, analfabeten als ook winnaars van de Nobelprijs. Het meest intensief hebben wel de oude Egyptenaren dat gedaan, want ze bouwden voor de doden de allergrootste gedenktekens van de wereld, de piramides van Gizeh. De Duitse dichter Emanuel Geibel maakte de balans op van al deze menselijke inspanningen en vatte het samen in één zin: ‘Een eeuwig raadsel is het leven; een eeuwig raadsel blijft de dood’. Uit de veelvoud van interpretaties van de dood nemen we hier het antwoord van de evolutieleer eruit: De dood in het wereldbeeld van de evolutie In het denkpatroon van de evolutie is de dood zo diep verankerd, dat er zonder de dood geen leven op aarde zou zijn. Dat wordt in de vier fundamentele leerstellingen van de evolutie over de dood duidelijk: 1) De dood – een noodzakelijke voorwaarde van de evolutie: Carl Friedrich von Weizäcker beklemtoonde: ‘Want wanneer de individuen niet zouden sterven, dan zou er geen evolutie zijn, dan zouden er geen nieuwe individuen met andere eigenschappen zijn. De dood van de individuen is een voorwaarde voor de evolutie’. 2) De dood – een uitvinding van de evolutie: Professor Widmar Tanner uit Regensburg stelt als bioloog de gerechtvaardigde vraag over het bestaan met betrekking tot de dood: ‘hoe en waarom komt de dood in onze wereld, wanneer er eigenlijk helemaal geen dood zou moeten zijn?’ en antwoordt daarop: ‘Verouderingsproces en levensduur zijn aanpassingen, die zich in de loop van de evolutie hebben ontwikkeld. De uitvinding van de dood heeft de loop van de evolutie wezenlijk versneld’. Voor hem brengt de geprogrammeerde dood de altijd durende kans om iets nieuws in de evolutie uit te proberen. 3) De dood – schepper van het leven: Hoe zeer het wereldbeeld van de evolutie van de Bijbelse leer zich onderscheidt, wordt zo heel duidelijk, wanneer volgens de leer van de evolutie de dood zelfs tot schepper van het leven wordt verheven. In deze zin uit zich de microbioloog Reinhard W. Kaplan: ‘het ingebouwde verouderen en sterven is evenwel met veel leed verbonden voor het individu, in het bijzonder voor het menselijke, maar het is de prijs daarvoor, dat de evolutie onze natuur überhaupt kon scheppen’. 4) De dood – absoluut einde van het leven: Volgens de evolutieleer is leven alleen mogelijk binnen de grenzen van fysische en chemische materietoestand (Mannfred Eigen). We zien, dat de evolutie ons geen bevredigende verklaring kan geven, hoe het met de dood zit. Bij een zodanige reductie van de werkelijkheid op uitsluitend materiële merkwaardige verschijnselen blijft er geen plaats over voor een verder bestaan na de dood. De mens wordt tot een biologische machine gereduceerd, waarbij zijn absolute einde met de dood van het organisme gelijkgesteld wordt. In het radarwerk van het evolutiemechanisme dient de dood voor een start voor het volgende leven. Daarmee is de waarde van een mensenleven slechts als een bijdrage te zien. Een bijdrage aan de evolutie. Wie geeft ons het juiste antwoord? Wie zou de vraag kunnen beantwoorden, die ons allen bezighoudt, naar het wezen van de dood en wat daarna komt? Hij moet bevoegd zijn, en dat zou hij alleen maar zijn, wanneer hij aan de volgende vier sterke voorwaarden zou kunnen voldoen: 1) Hij zou zelf in de dood geweest moeten zijn! 2) Hij zou van de dood teruggekomen moeten zijn! 3) Hij zou de macht over de dood moeten hebben! 4) Hij zou absoluut te vertrouwen moeten zijn! Wanneer we om ons heen kijken in de wereldgeschiedenis, wie aan deze unieke voorwaarden kan voldoen, dan blijft er slechts één enkel Iemand over, en dat is Jezus Christus: 1) Hij werd gekruisigd en stierf voor de poorten van Jeruzalem. Zijn vijanden wilden er zeker van zijn dat Hij dood was en daarom stak een Romeins hoofdman een speer in Zijn zijde zodat er bloed vloeide (Johannes 19:34). Nu waren ze er zeker van: Hij is werkelijk dood! 2) Hij had van te voren al gezegd dat Hij op de derde dag zou opstaan. Ook dat gebeurde en de vrouwen waren op de Paasmorgen de eerste getuigen bij het graf. De engel zei tot hen: ‘Hij is hier niet, Hij is opgestaan!’ (Lukas 24:6). 3) Het Nieuwe Testament vermeldt van drie opwekkingen uit de dood door de almacht van de Heer Jezus: Lazarus in Bethanië (Johannes 11:41-45), de jongeling uit Naïn (Lukas 7:11-17) en het dochtertje van Jaïrus (Markus 5:35-43). Niemand anders heeft de almacht om de dood zo duidelijk te bevelen dan de Heer Jezus alleen. 4) Slechts Eén ging er over de aarde, Die kon zeggen: ‘Ik ben de waarheid’ (Johannes 14:6), en dat was de Heer Jezus. Hij kon Zijn uitspraken tegenover Zijn vijanden ook overeind houden, die steeds probeerden om Hem te betrappen op het geringste onrecht. Nu zijn we bij het juiste adres aanbeland en zijn daarmee tot de bron van de waarheid doorgedrongen. Waarheid is voor ons bestaan levensnoodzakelijk. Wie zou er wel zijn leven willen bouwen op een dwaling? Wij stellen nu vast: er is dus die Ene met de nodige bevoegdheid, die ons een duidelijke uitkomst kan geven. Van Hem ervaren wij wat onmiddellijk na de dood met de mensen gebeurt. In Lukas 16:19-31 heeft de Heer Jezus ons dit antwoord aan de hand van een voorbeeld van twee mensen gegeven, die juist gestorven waren. De ene kent God, terwijl de ander zonder Hem leeft. Lazarus wordt door de engelen in de schoot van Abraham gedragen en het gaat heel goed met hem op die plaats, die de Heer Jezus ook aanduidt met het paradijs (Lukas 23:43). De ander, de rijke, bevindt zich onmiddellijk na de dood in de hel en hij beschrijft zijn verschrikkelijke situatie met de woorden: ’Ik lijd pijn in deze vlam’ (Lukas 16:24b). De dood is dus in geen geval de grote nivellering. Veeleer kunnen we zeggen: wanneer er al in deze wereld reusachtige verschillen bestaan – aan de andere zijde van de doodsmuur zullen ze juist onbeschrijfelijk ver uit elkaar liggen. Waaraan ligt dat? Dat zal nu uitvoerig worden uitgelegd. De drievoudige dood Volgens het ondubbelzinnige getuigenis van de Bijbel zijn deze wereld en al het leven vanuit een directe scheppingshandeling van God voortgekomen. Het was een afgewerkte en voleindigde schepping, die het afsluitende oordeel van God ‘zeer goed’ kreeg. Gods wezen is liefde en barmhartigheid en zo schiep Hij alle dingen door Zijn Zoon (Spreuken 8:30), de Heer Jezus (Johannes 1:10); Kolosse 1:16). Ook in de schepping bleef Hij trouw aan de kenmerken van Zijn wezen zoals zachtmoedigheid, barmhartigheid en liefde. Dat is iets geheel anders dan de door leed en tranen, wreedheid en dood gekenmerkte strategie van de evolutie. Wie God als oorzaak aanziet van de evolutie, dat is insinueren dat Hij zo’n scheppingsmethode heeft gebruikt, verandert dan het wezen van God. Daarom is ook het idee van een door God gestuurde evolutie (zogenaamde theïstische evolutie) totaal absurd. Maar vanwaar komt de dood, wanneer de dood geen evolutiefactor is en ook niet aan het wezen van God beantwoord? Wij stellen vast: de dood is algemeen. Alle mensen sterven: van kleine kinderen tot de grijsaards, moreel hoogstaande mensen alsook de dieven en rovers, en gelovigen en ongelovigen in dezelfde mate. Voor een zo algemene en krachtdadige uitwerking moet er ook een algemene oorzaak zijn. De Bijbel beschrijft de dood heel duidelijk als gevolg van de zonde van de mens. Hoewel God de mensen daarvoor gewaarschuwd had (Genesis 2:17), misbruikte hij de aan hem geschonken vrijheid en kwam daardoor in de zondeval. Van nu af werkte de wet van de zonde: ‘Het loon van de zonde is de dood’ (Romeinen 6:23). De mens raakte in de doodslijn, die in de grafiek als dikke zwarte lijn getekend is. We kunnen dat in beeld als de doodstrein kwalificeren. Sinds Adam, die daarvoor verantwoordelijk is dat de dood in deze schepping kwam (1 Korinthe 15:22a), bevindt nu de mensheid zich in deze verschrikkelijke trein: ‘Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12). Voor de zondeval was dus de dood in de hele schepping onbekend. Wanneer de Bijbel over de dood spreekt, dan bedoelt ze daarmee in geen geval het ophouden van het bestaan. De Bijbelse definitie voor dood heet: ‘afgescheiden zijn van…’ Omdat de zondeval een drievoudige dood kenmerkt (zie grafiek), is er ook een drievoudig afgescheiden zijn: 1) De geestelijke dood: op het moment van de zondeval viel de mens in de ‘geestelijke dood’, dat betekent dat hij daarmee afgescheiden was van de gemeenschap met God. In deze toestand leven ook vandaag de dag alle mensen, die niet in hun Schepper geloven. Ze bepalen zelfzuchtig hun leven en geven toe aan de hartstochten en de verlokkingen van de zonde. Ze leven hun leven op een manier, alsof er geen God zou zijn. Ze hebben geen persoonlijke betrekking met de Heer Jezus Christus en wijzen de boodschap van de Bijbel af. In de ogen van God zijn ze geestelijk doden, ofschoon ze lichamelijk heel levend kunnen zijn. 2) De lichamelijke dood: In de verdere uitwerking komt het tot de lichamelijke dood: ‘….totdat u tot de aarde weerkeert, omdat u daaruit genomen bent‘ (Genesis 3:19). Wegens de zondeval is de hele schepping aan de vergankelijkheid onderworpen. 3) De eeuwige dood: Het eindstation van de doodstrein is de eeuwige dood. Maar daar wordt niet het bestaan van de mens opgeheven (Lukas 16:19-31). Het is de situatie van het definitief gescheiden zijn van God. De toorn van God blijft op hem omdat ‘door de zonde van één mens – Adam – strekken de gevolgen zich daarvan uit naar alle mensen tot veroordeling’ (Romeinen 5:18). De Heer Jezus beschrijft deze plaats van het verderf als de hel; het is een plaats van het verschrikkelijkste bestaan: het vuur is daar ‘onuitblusbaar’ (Markus 9:43, 45) en ‘eeuwig’ (Mattheüs 25:41), daar is ‘het gejammer en het tandengeknars’ (Lukas 13:28). Het is een huiveringwekkende plaats, ‘waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt’ (Markus 9:48). Het is een plaats van ‘eeuwig verderf’ (2 Thessalonika 1:9). Hoe ziet God het door onze eigen schuld veroorzaakte racen naar het verderf? Wegens Zijn grenzeloze erbarmen en Zijn liefde tot ons geeft Hij Zijn Zoon over aan het kruis om daardoor een unieke redding te bewerken. Het woord van de Heer Jezus: ‘Het is volbracht!’ markeerde in beeld de voltooiing van de levenstrein. Het is de verklaarde wil van God (Bijv. 1 Timotheüs 2:4), dat wij voor de eeuwige hel gered worden – of in beeld gesproken – uit de razende doodstrein stappen. We zijn uitgenodigd door de nauwe poort te gaan, die naar de hemel leidt (Mattheüs 7:13a-14). Volgens het getuigenis van de Bijbel is de Heer Jezus de enige deur en daarmee ook de enige weg voor redding. Wanneer wij de levenstrein instappen, komen we aan in het eeuwige leven. Het verwisselen of overstappen van de ene trein in de andere gebeurt daardoor, dat wij ons wenden tot de Heer Jezus en Hem ons oude zondige leven belijden, Hem om vergeving vragen en als Redder aannemen. Dat maakt ons in de ogen van God tot een nieuwe schepping. Het geschenk van de vergeving mag ieder persoonlijk ontvangen wanneer hij het slechts wil. Wat ons uit genade wordt geschonken, had voor God een onmetelijk hoge prijs, het offer van Zijn Zoon. Wie ingaat op het aanbod van God, komt in een beslissende doorbraak, die ons het eeuwige leven brengt (Johannes 5:24). Deze mogelijkheid wordt aan de mensen gegeven alleen maar in zijn leven hier op aarde. De weg naar het leven Na een lezing kwam er een gesprek met een jongeman. Ik vroeg hem: ‘Waar sta je op de grafiek?’ Zijn korte antwoord: ‘Ik sta op het perron!’ Hij had één ding ingezien: De doodstrein moet men zo snel mogelijk verlaten! Zijn vraag was: ‘Hoe stap ik in de levenstrein?’ Hij liet zich de weg tonen en rijdt nu vrolijk het beste doel tegemoet. God is niet slechts een toornig God tegenover de zonde, maar ook een liefhebbend God tegenover de zondaar. Wanneer wij vandaag in de levenstrein stappen, dan hebben wij daarmee het mooie oord geboekt, de hemel, waarvan er in 1 Korinthe 2:9 staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’. Welke weg we willen gaan, deze vrije keus heeft God aan ons gelaten: ‘Het leven en de dood heb Ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat u leeft’ (Deuteronomium 30:19). Ook wordt het hier nog een keer duidelijk, dat het Gods wil is dat wij eeuwig leven ontvangen. Uit de grafiek kunnen wij een eenvoudig trefwoord afleiden: ‘Wanneer u slechts eenmaal geboren bent (de natuurlijke geboorte), dan sterft u tweemaal (ten eerste de natuurlijke dood en dan de eeuwige dood), maar wanneer u tweemaal geboren bent (de natuurlijke geboorte, en de wedergeboorte nieuwe schepping door Christus) sterft u slechts eenmaal (de lichamelijke dood)! Het geloof in de Zoon van God bevrijdt ons van het vervloekte oordeel en brengt de zekerheid van het eeuwige leven. ‘Wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel maar is uit de dood overgegaan in het leven’ (Johannes 5:24). Bedenkt men de draagwijdte van elk geloofsbesluit dan wordt tegelijkertijd duidelijk welke tragische uitwerking de evolutietheorie over de dood op haar aanhangers heeft. Ze versluiert het gevaar van de eeuwige dood en laat de mensen het reddingsaanbod missen. Maar de Heer Jezus is gekomen om ons voor de afgrond, voor de hel te redden. Wendt u zich toch in het gebed tot God. Op deze manier verlaat u vandaag de doodstrein en stapt u in de levenstrein. Deze principiële levensverandering kunt u met het volgende gebed beginnen: ‘Heer Jezus Christus, ik heb mijn fatale situatie ingezien. Mijn manier van leven komt in geen geval overeen met Uw Woord. Nu weet ik: ik zit in de verkeerde trein. Daarover ben ik vreselijk geschrokken en smeek U om hulp. Vergeef mij al mijn schuld, waar ik oprecht spijt van heb en verander mijn leven, doordat ik Uw Woord lees en mij daar naar richt. Met Uw hulp zou ik nu graag in de levenstrein stappen en altijd bij U blijven. Ik neem U nu aan in mijn leven. Wilt U mijn Heer wezen en geeft mij de wil en de kracht om U te volgen. Ik dank U van ganser harte dat U mij van mijn zonden bevrijd hebt en ik nu een kind van God mag zijn. Amen’. Dr.-Ing. Werner Gitt Directeur en Professor
Mit großem Forschungsaufwand suchen Astronomen heute nach Planeten in anderen Sternensystemen. Unter allen bisher registrierten Planeten und Exoplaneten wurde bisher kein auch nur annähernd erdähnlicher Planet gefunden. Die physikalischen, chemischen und astronomischen Bedingungen auf unserem Heimatplaneten Erde bieten uns geradezu einmalig günstige Wohnbedingungen. Dies tritt im Angesicht moderner naturwissenschaftlicher Erkenntnisse mit immer größerer Deutlichkeit hervor. Anhand nur einiger ausgewählter Punkte soll die einmalige Beschaffenheit unserer Erde herausgestellt werden. Onze aarde -Een buitengewone planeet Met grote inspanningen aan onderzoek, zoeken astronomen vandaag naar planeten in andere sterrensystemen. Onder de tot nu toe geregistreerde planeten en exoplaneten (dat zijn planeten die draaien om andere planeten dan de zon) werd er tot nog toe ook niet één planeet gevonden, die ook maar iets op de aarde leek. De natuurkundige, chemische en astronomische condities op onze aarde bieden ons regelrecht unieke gunstige woonvoorwaarden. Dit komt met grote duidelijkheid naar voren ten aanzien van moderne natuurwetenschappelijke inzichten. Aan de hand van enkele uitgekozen punten zal de unieke gesteldheid van onze aarde naar voren gebracht worden: Noodzakelijke voorwaarden voor de bewoonbaarheid van de aarde 1. De juiste afstand tot de zon: Wij bewegen ons met een afstand van ongeveer 150 miljoen kilometer van onze centrale ster, de zon. De door de zon geleverde hoeveelheid energie en de afstand van de aarde tot de zon zijn zó op elkaar afgestemd, dat er in de meeste gebieden van de aarde temperaturen heersen tussen 0 en 40°C. Dit is precies die nauwe marge, die voor biochemische processen van de cellen en daarmee voor de instandhouding – in het bijzonder van het menselijk leven – optimaal is. 2. De juiste snelheid van de omwenteling van de aarde: Zou de aarde wezenlijk langzamer roteren, dan zouden er extreme klimaatverschillen tussen dag en nacht zijn. Overdag zou er als gevolg van een langdurige zonnestraling onverdraaglijk hoge temperaturen ontstaan, die bovendien een uitdroging van het aardoppervlak zouden veroorzaken. En de nachten zouden daarbij te sterk afkoelen. Een nog snellere omwenteling van de aarde zou tot geringere temperatuursverschillen tussen dag en nacht leiden en daarmee het noodzakelijke weerpatroon aanzienlijk beperken. Vanwege de stijging van de centrifugale (middelpuntvliedende) krachten zou met een verlies van gas in de kosmos rekening moeten worden gehouden. 3. De juiste lengte van het jaar: De lengte van een jaar is goed afgestemd op onze levenscyclus. Tussen zaaitijd en oogst ontstaat er een voldoende groeitijd. En de winter is niet te lang, om hem te kunnen overbruggen door voorraden. Andere voorbeelden in ons planetensysteem tonen ons in dit opzicht voor het leven onmogelijke cyclussen. Zouden we ons een aarde van 84 jaren zoals op Uranus of van 88 dagen zoals op Mercurius kunnen voorstellen? 4. De juiste schuine stand van de aarde: Om verder tot gunstige leefvoorwaarden op de aarde te komen, is de schuine stand van de rotatie as op het vlak van de omloopbaan van de aarde rond de zon van belangrijke betekenis. Wetenschappelijke berekeningen hebben aangetoond, dat slechts in het smalle gebied van 23° tot 24° het grootst mogelijke deel van de aardoppervlakte leefbare voorwaarden bevat. Zien we niet, dat de daadwerkelijke schuine stand precies 23 ½ graad bedraagt? Een vergroting van de hoek van de schuine stand zou bijv. de tegenstelling tussen zomer en winter buitengewoon versterken. 5. De juiste grootte van de maan: De maan bewerkt eb en vloed bij de zeeën. De gedeeltelijk ondergelopen getijden bassins, verrijken de diversiteit van het leven aanzienlijk. Een te kleine maan zou te geringe uitwerkingen hebben en een te grote maan zou tot voortdurende catastrofale overstromingen leiden. Beslist noodzakelijk is de maan voor de stabilisering van de schuine stand van de aardas. 6. De juiste massa en grootte van de aarde: Deze beide waardes zijn zó op elkaar afgestemd, dat er op het aardoppervlak een aantrekkingskracht heerst, die voldoende is om een atmosfeer vast te houden. De zwaartekracht van de maan bijv. is niet voldoende om een atmosfeer te binden. Met een specifiek gewicht van 5,52 g/cm3 heeft de aarde de dichtste materie van alle planeten van ons zonnestelsel. Zou de doorsnee van de aarde 20 procent kleiner zijn, dan zou de aarde bij dezelfde gemiddelde dichtheid slechts de halve massa hebben. Door de aanzienlijk geringere zwaartekracht zou het grootste deel van de atmosfeer in de kosmos ontsnappen. Bij 25 procent verhoging van de diameter zou de massa van de aarde zich verdubbelen, de luchtdruk stijgen en ons eigen gewicht zou bij dezelfde lichaamsbouw ongeveer 25 procent hoger zijn (sterkere belasting van de gewrichten en van het skelet). 7. De unieke samenstelling van de atmosfeer van de aarde: Voor hogere levensvormen is de zuurstof een fundamentele voorwaarde. Met 21 procent bezit de atmosfeer de juiste portie zuurstof. Bij een hoger zuurstofgehalte (boven 50 procent) zou het bij de mensen tot een O2 vergiftiging komen (beschadiging van de longen, verminderde hartfunctie, beperkte hersenen- en nierendoorbloeding), en bij een minder deel zouden de cellen te weinig zuurstof krijgen. De hersenen zijn in het bijzonder gevoelig tegen O2 gebrek. Bij 10 procent zuurstofgehalte zou men geen vuur meer brandend kunnen houden (bijv. ovens, industriële apparatuur). Het voorhanden zijnde stikstofgehalte is voor de biologische processen van beslissende betekenis. Het zorgt voor een voldoende stralingsopname, voor de juiste verdunning van de zuurstof en voor de benodigde dichtheid van de atmosfeer. 8. De juiste dichtheid van de atmosfeer van de aarde: Bij een te geringe dichtheid zou de bescherming tegen een dodelijke, sterke inwerking van ultraviolet- en röntgenstralen als ook tegen het voortdurende bombardement van aanmerkelijk grote meteorieten niet voldoende zijn. De dichtheid van de atmosfeer is afhankelijk van de massa van de aarde en van de temperatuur op de oppervlakte. Zou de aarde een geringere massa hebben, dan zou door de geringere aantrekkingskracht de vereiste hoeveelheid aan lucht en water niet vastgehouden kunnen worden. Maar de aantrekkingskracht van de aarde is juist zó vastgesteld dat ze zuurstof, stikstof en kooldioxide in de dichtheid kan vasthouden, zoals precies nodig is. De atmosfeer als geheel heeft een balancerend effect op de vorming van temperatuurcontrasten en is noodzakelijk voor de weersomstandigheden. 9. De noodzakelijke ozonbescherming van de aarde: De niet zichtbare korte golf ultraviolette straling (= UV straling) van de zon bereikt, dankzij een bijzondere eigenschap van de atmosfeer, slechts een klein gedeelte van het aardoppervlak. In de hele stratosfeer, dus op een hoogte van 10 tot 50 kilometer, komt de ozon (O3, heeft drie atomen zuurstof) in buitengewone dichtheid voor, maar deze ozonsluier is voor het bestaan van het leven op aarde van essentieel belang. Omdat hij in het bijzonder de voor de gezondheid schadelijke ultraviolette straling bijna helemaal absorbeert. 10. De oppervlakte van de aarde: Ondanks het hoogste gebergte en de diepste diepzeetroggen lijkt de aarde opmerkelijk glad. Wanneer de aarde een kogel van een meter doorsnee zou zijn, zouden de oneffenheden slechts een millimeter aan beide zijden van de zeespiegel bedragen. Ook daardoor wordt bewerkt, dat andere delen van de aarde bewoonbaar zijn. 11. Magneetveld van de aarde: Het magneetveld is niet slechts behulpzaam voor de navigatie. Het leidt in het bijzonder elke schadelijke straling, die als zonnewind aangeduid wordt, van de aarde weg. Het magneetveld belemmert de doortocht van de zonnewind als een beschermend schild. 12. De aarde – een natte planeet: We komen nu bij het belangrijkste kenmerk van de aarde en de absoluut noodzakelijke voorwaarde voor het leven – dat is het water! Het vormt de beslissende grondslag voor elk soort van het leven. Water vinden we daarom niet slechts daar, waar de oceanen en zeeën zijn, maar overal. In vergelijking met de verre gebieden van Mars, de steenwoestijnen van de maan of de kraters van Mercurius is zelfs de Sahara nog een natte spons. Water vinden we dus op elke plaats van de aarde. De wolken brengen het snel hierheen en snel daarheen. Soms regent het, soms sneeuwt het. En waar het een lange tijd niet regent, daar brengt de dauw van de nacht het water zelfs in de woestijnen. De oceanen zijn een unieke bijzonderheid van de aarde. Ze bedekken 71 procent van het aardoppervlak. Dat dit water in vloeibare vorm voorkomt, kan niet genoeg benadrukt worden. De meeste materie in het heelal komt of in de vorm van hete gassen (in de sterren) of in bevroren toestand (bijv. in verre planeten) voor. De oceanen werken als een gigantisch warmtereservoir. Ze hebben een belangrijk nivellerend effect op het klimaat. Minder water op de aarde zou aanzienlijk grotere temperatuursschommelingen tot gevolg hebben dan nu het geval is. De oceanen vormen bovendien een belangrijke en onontbeerlijke voedingsbron. Als geen onophoudelijke verdamping boven de zeeën zouden zijn en de krachtige, voortdurend waaiende winden boven duizenden kilometers, dan zouden in korte tijd de continenten helemaal uitgedroogd zijn. De circulatie van het water werkt voor de organismen op onze planeet levensonderhoudend en zou „zonder weer“ niet te realiseren zijn. Ook de ogenblikkelijke afstemming van land- en wateroppervlak op de aarde is geen toevallige combinatie. Bij het voorhanden zijnde profiel van het aardoppervlak zou al een toename van 10 procent waterhoeveelheid een stijging van de zeespiegel van 300 meter bewerken en daarmee tot een bijna complete overstroming van de continenten leiden. En omgekeerd, zou de overeenkomstige vermindering van de hoeveelheid water een grote toename van de continenten beïnvloeden. Dit zou echter een rampzalige klimatologische verslechtering met zich meebrengen en de woestijngebieden laten groeien. Wie met het vliegtuig onderweg is, ontvangt na de begroeting door de piloot informatie over koers, vlieghoogte en buitentemperatuur. Op 10.000 meter hoogte wordt steeds de buitentemperatuur van -50o C genoemd. Hebben we er wel eens aan gedacht, dat deze extreme koude op 5 tot 20 kilometer hoogte voor ons leven noodzakelijk is? Op deze hoogte bevriest de waterdamp tot ijskristallen, die vervolgens aangroeien en daarna door de zwaartekracht naar beneden vallen. Op deze manier wordt de verdamping van water in de kosmos regelrecht als een blokkade verhinderd. Ook over duizenden jaren kan het daarom niet tot uitdroging van de aarde komen. Ten slotte willen we nog op een belangrijke eigenschap van het water wijzen, namelijk zijn onregelmatigheid: Bij 4°C bereikt het water met 1,0 g/cm3 de hoogste dichtheid. Zowel met toenemende als ook met afnemende temperatuur neemt de dichtheid af. IJs van 0 °C heeft een dichtheid van 0,917 g/cm3. Het is gemakkelijker als vloeibaar water en drijft daarom. Deze buitengewone eigenschappen, die slechts het water heeft, vereist dat het leven in het water (zeeën, rivieren, vijvers) ook in de koude winter mogelijk is. Wanneer water bevriest, blijft het lichtere ijs boven. Onder verzamelt zich het specifieke zwaarste water van 4°C, waarin de vissen overleven. Onze aarde is uniek Al met al kunnen we zeggen: De aarde is een goed gehumeurde en bewoonbare planeet, die optimaal geschapen werd. We hebben hier een aantal van de belangrijkste en opvallendste geofysische, mechanische, thermische en materiële voorwaarden besproken en daarbij vastgesteld: Onze aarde is uniek! De unieke combinatie van al deze details en hun onderlinge samenhang maakt het leven op aarde überhaupt pas mogelijk. Deze aarde is precies op maat voor de mens geschapen. Komt de onpartijdige waarnemer hier niet tot de conclusie dat alles wijs en vooruitziend geschapen is? De veelvoud van precies op elkaar afgestemde parameters laat slechts de enige conclusie toe, die de Bijbel ons ook in Romeinen 1: 20-21 noemt: „Want van de schepping van de wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien -, opdat zij niet te verontschuldigen zijn, omdat zij, hoewel zij God kennen, Hem als God niet verheerlijkt of gedankt hebben“. Aan diegenen, die in hun ‚schranderheid‘ geloven dat alles toe te schrijven is aan toevallige processen van de evolutie, zegt Gods Woord: “Bewerend wijzen te zijn, zijn zij dwaas geworden” (Romeinen 1:22). Wie is de Schepper van het heelal, van de aarde en van al het leven? God de Vader gaf aan Zijn Zoon, de Heer Jezus, de scheppingsopdracht. Daarom staat er van de Heer Jezus in het Nieuwe Testament (Kolosse 1:16-17): „Hij is het beeld van de onzichtbare God ... want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare ... alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem”. In onze wereld bestaat er dus niets, wat niet door de Heer Jezus geschapen werd. Het reusachtige heelal met zijn miljarden sterrenstelsel is hier ook meegerekend net zoals de kleinste details in het proces van een levende cel. De Heer Jezus is niet slechts de Schepper van de hele micro- en macrokosmos, Hij heeft ook de soevereiniteit over alle dingen. Een adembenemende gedachte De Heer Jezus is Degene, Die van eeuwigheid af was en de Koning van de hemel is. Hem is alle macht in de hemel en op de aarde gegeven (Mattheüs 28:18). Kunnen we de volgende adembenemende gedachte bevatten? De Man aan het kruis van Golgotha en de Schepper van deze wereld en al het leven is Eén en Dezelfde Persoon! In Zijn onuitwisbare liefde tot ons liet Hij Zich voor onze zonden kruisigen en verweerde Zich niet, zodat de deur van de hemel voor ons kon opengaan. Wie dat verwerpt, verliest alles: „Hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen?” (Hebreeën 2:3). Wie Hem aanneemt, wint alles. De Heer Jezus zei: „Wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven, . . . hij is van de dood overgegaan in het leven“ (Johannes 5:24). Vraagt u de Heer Jezus om vergeving van al uw zonden, zodat u in het oordeel van God kunt bestaan. Neem Hem als uw persoonlijke Schepper en Redder aan en volg Hem. Directeur en professor Werner Gitt
Es gibt wohl kaum eine Frage, die Menschen so sehr beschäftigt, wie gerade diese. Insbesondere taucht sie dann auf, wenn es um Gott geht. Für viele gilt: Wenn es einen liebenden und allmächtigen Gott gibt, dann dürfte es in dieser Welt kein Leid und keinen Tod geben! Ist diese Behauptung zutreffend? Logisch betrachtet kann es vier verschiedene Antworten auf die Frage geben, warum Gott Leid und Tod in dieser Welt zulässt: 1) Entweder will Gott das Leid beseitigen, aber er kann es nicht,2) oder er kann es und will es nicht,3) oder er kann es nicht und will es nicht,4) oder er kann es und will es. Doch welche Antwort ist die richtige? Genau das werden wir jetzt klären! Waarom is er zoveel leed ende dood in onze wereld? Er is nauwelijks een vraag die mensen meer bezighoudt dan juist deze. In het bijzonder duikt ze op als het over God gaat. Voor velen telt: als er een liefhebbende en almachtige God is, dan mag er in deze wereld geen leed en geen dood zijn! Is deze bewering juist? Daar willen we ons nu mee bezighouden. Vier logische mogelijkheden Logisch gezien kunnen er vier verschillende antwoorden op de vraag zijn, waarom God leed en dood in deze wereld toelaat: 1) Of God wil het leed verwijderen, maar Hij kan het niet, 2) of Hij kan het maar wil het niet, 3) of Hij kan het niet en wil het ook niet, 4) of Hij kan het en wil het. Maar welk antwoord is het juiste? Dat zullen we nu ophelderen! Dood en leed zijn overal Leed en dood zijn voortdurende begeleiders in onze wereld. We horen van natuurcatastrofes zoals aardbevingen, tornado’s en overstromingen van de eeuw en van ongelukken zoals scheepsrampen en het neerstorten van vliegtuigen die onopzettelijk door mensen veroorzaakt werden. En we kennen catastrofes die expres door mensen teweeggebracht worden. Denken we alleen maar aan de terreuraanslag in New York op het World Trade Center van 11 september 2001 met ongeveer 3000 doden of aan de talloze Islamitische zelfmoordenaars. Bij het bloedbad van Parijs op 13 november 2015 werden 130 personen meedogenloos vermoord. Maar naast de verschrikkelijke gebeurtenissen te lezen in de krant met vette koppen, beleeft ook ieder van ons, vroeg of laat, leed – hetzij afwijzing, verlies, ziekte, ongeval of dood. Vele pasgeboren baby’s zijn misvormd of sterven na enkele dagen. Als de lasten te groot worden, klagen de mensen God aan. Voor de oplossing van het probleem wil ik eerst de twee fundamenteel onderscheidende gezichtspunten tegenover elkaar stellen: Twee tegenovergestelde opvattingen Opvatting 1 – het evolutiegeloof: volgens deze uitleg is onze aarde miljoenen jaren oud en de dood is een permanente begeleider van onze geschiedenis. Leed en dood worden tot bondgenoten bij de ‘schepping’ van leven verklaard – alleen door de dood kan nieuw leven ontstaan. De Duitse microbioloog Reinhard Kaplan schrijft hierover: ‘Het ‘ingebouwde’ ouder worden en sterven is wel droevig voor het individu, in het bijzonder voor het menselijke, maar het is de prijs voor het feit dat de evolutie onze aarde überhaupt kon doen ontstaan’. Opvatting 2 – het geloof in de Schepper: de Bijbel noemt God als de Schepper. Hij beoordeelde al het geschapene met de unieke beoordeling ‘zeer goed’ (de Bijbel: Genesis 1:31). Deze beoordeling heeft betrekking op de hele schepping en zodoende ook op de eerste mensen Adam en Eva. In de zondeval werd de mens tegenover God ongehoorzaam en haalde, na de van te voren door God uitgesproken waarschuwingen, dood, leed en ziekte op zijn hals. Daarmee kwam de wet ‘Want het loon van de zonde is de dood’ (Romeinen 6:23) tot uitwerking. Zonde en dood zijn dus op het nauwste met elkaar verbonden. De zonde bracht een indringer – de dood – in de vooraf zeer goede wereld. Sindsdien is de hele schepping aan het verval en de vergankelijkheid onderworpen. Welke van deze twee opvattingen is de juiste? Eén van de twee moet logischerwijze verkeerd zijn! In de cellen van alle levende wezens vinden wij een bijna onvoorstelbare hoeveelheid aan informatie. Deze is noodzakelijk voor de vorming van alle organen en voor het sturen van alle processen van het leven. Maar informatie kan niet vanzelf in de materie ontstaan. Met behulp van de natuurwetten van de informatie kan het hele gebouw van de evolutie tot instorting gebracht worden. (zie daarvoor de publicatie ‘Weerlegging van de evolutie door natuurwetten’ onder www.wernergitt.com). Dus hebben we alleen nog van opvatting 2 uit te gaan – de Bijbelse leer. We hebben nu de oorzaak van leed en dood ontdekt: het is de zonde van de mensen sinds de tijd van Adam. Daarmee is het algemene leed in deze wereld verklaard. Elke leer die de wereld wil verklaren en daarbij niet van de zondeval uitgaat, is op een verkeerd fundament gebouwd. We moeten vasthouden: het is onze schuld dat de wereld zo is, zoals ze is. Gods handelen in catastrofes We hebben ontdekt dat leed en dood een gevolg van de zonde zijn. Maar hoe is het met natuurrampen die niet door de schuld van individuen ontstaan? Ik denk bijv. aan de overstroming van de eeuw van de Elbe en de Mulde in augustus 2002. In Job 12:15 lezen we: ‘Houdt Hij de wateren terug, zij verdrogen; laat Hij ze gaan, ze woelen de aarde om’. En in Amos 3:6 wordt het echt drastisch: ‘Geschiedt er een ramp in de stad, zonder dat de Here die bewerkt?’. Iets dergelijks staat er in Jesaja 45:5 en 7: ‘Ik ben de Here, … Die het licht formeer en de duisternis schep, Die het heil bewerk en het onheil schep. Ik, de Here, doe dit alles’. God laat het ongeluk toe, Hij lijkt zelfs de oorzaak ervan. Maar dat is niet zo. God is nooit de oorzaak van het kwaad want ‘God is goed en goeddoende’ (Psalm 119 vers 68) ook al begrijpen we niets van Zijn handelen. De oorzaak van het kwaad is de duivel. God laat dingen toe die we niet begrijpen, maar Hij heeft altijd het goede voor de mens op het oog ook al zien we daar helemaal niets van. Dezelfde God heeft een zondvloed toegelaten waarbij veel mensen jammerlijk verdronken en Hij heeft over de Amalekieten het oordeel uitgevaardigd om het hele volk met wortel en tak uit te roeien (1 Samuël 15:2-3). Dezelfde God spreekt ook het eeuwige oordeel over de goddeloze mensen uit (Openbaring 21:8). Maar toch is deze God de liefde in Persoon (1 Johannes 4:16). Hij is ook dezelfde God, Die ‘Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus in de wereld gezonden heeft, opdat wij door Hem zouden (eeuwig!) leven’ (1 Johannes 4:9). We moeten vasthouden: ‘God is liefde’ (1 Johannes 4:9 en 16) Het leed van het individu De Bijbel leert dat het algemene leed inclusief de zonde een deel van het totale beeld in deze wereld is. Maar het individuele leed van het individu is NIET altijd met eigen begane zonden in verbinding te brengen. Laten we er voor oppassen om een zieke of noodlijdende te zeggen dat zijn individuele situatie door zijn zonden komt. God liet het lijden van Job toe hoewel hij een rechtvaardig man was. Job, die in zijn tijd de rechtvaardigste man op aarde was, maakte ongelooflijk veel leed mee: hij verloor al zijn kinderen, bedienden en zijn hele bezit op een enkele dag. Verder kreeg hij een heel smartelijke ziekte. God heeft Job nooit de speciale reden voor zijn lijden uitgelegd maar Hij laat elke lezer van het boek Job (deel van de Bijbel) ‘ooggetuige’ worden van een buitengewone scene die zich afspeelt achter de coulissen in de hemel en waar Job geen flauw idee van had. God had redenen om het leed van Job toe te laten maar Hij openbaarde het niet aan Job en ook niet aan ons. Alleen in heel weinig gevallen zegt God ons waarom een persoon moet lijden. Toen de Heer Jezus en Zijn discipelen langs een blindgeboren man kwamen, vroegen Zijn discipelen aan Hem of de blindheid van de man door een eigen zonde kwam of op de zonde van zijn ouders te herleiden was. De Heer Jezus verklaarde daarbij dat de man blind geboren werd omdat God Zijn almacht door de genezing zichtbaar wilde maken (Johannes 9:1-7). Ananias en Saffira stierven nadat ze de gemeente openlijk hadden voorgelogen (Handelingen 5:1-11). Het leed met het oog op de eeuwigheid Het leed mag niet bekeken worden zonder de eeuwigheid erbij te betrekken! De apostel Paulus vond redenen om in zijn ‘gebrekkigheid’ – dus in een ziekte, zijn pijnen, zijn verliezen – te roemen. Zijn lijdensverhaal omvat folteringen, slagen, gevangenis, steniging, schipbreuk, roof, ziekte, uitputting, honger, dorst en koude (2 Korinthe 11:16-33). Zijn brieven laten zien dat pas door de opstanding van Jezus Christus voor ons eeuwig leven mogelijk is. Als we daar aan denken slinkt het lijden bijna tot onbetekenend: ‘Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’ (Romeinen 8:18). Een vriend die door meerdere ziektes heftige pijnen moest lijden, schreef mij: ‘Mijn troost is de eeuwigheid, zodat ik het aardse leven verdraag’. Wat doet God met betrekking leed en dood? Mensen die God beschuldigen dat Hij achterover leunt en niets doet, overzien een levensbelangrijke waarheid want in werkelijkheid heeft God al alles gedaan, wat wij van een liefhebbend God wensen. De Zoon van God, Jezus Christus, werd Mens en verdroeg verschrikkelijk leed en een afschuwelijke dood in onze plaats. Want de zonde van Adam heeft de mensheid in een vreselijke uitzichtloze weg achtergelaten. Hoewel ons lichaam sterft, hebben we toch een onsterfelijke ziel omdat God ons bij de schepping Zijn (eeuwige!) adem ingeblazen heeft. Dat wat ons bewustzijn uitmaakt, zal eeuwig bestaan. Als God niets tegen onze zonden zou hebben ondernomen, dan zouden we in eeuwigheid in de scheiding van God en daarmee in een toestand van eeuwig leed blijven. Het was Gods plan om Zijn Zoon, de Heer Jezus, naar ons te zenden zodat Hij voor ons in de bres zou springen. Hij liet aan het kruis van Golgotha alle slechts denkbare zonden op Zich laden. Als Enige Die zonder zonde was, kon Hij ze dragen en overbrugde daarmee de diepe kloof die door de zonde tussen God en mens ontstaan was. Op grond van Zijn verlossingswerk kan Hij nu elk mens die dit gelooft, eeuwig leven geven (Johannes 1:12: Efeze 2:8-9). Allen die in de Heer Jezus Christus geloven en dat God Hem uit de dood heeft opgewekt én Hem als Heer en Redder aannemen, zullen de eeuwigheid met God doorbrengen (1 Korinthe 15:1-4). Er is ook een plaats van eeuwige scheiding van God. De Bijbel waarschuwt ons dat zij die niet in Christus geloven een ‘tweede dood’ zullen smaken en dat is de hel – de eeuwige en absolute scheiding van God in verschrikkelijke eeuwige pijn (Openbaring 21:8). In Mattheüs 25:46 noemt de Heer Jezus beide wegen in één vers: ‘En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven’. Er is geen tegenstelling tussen de beide uitspraken ‘God is een almachtig en liefhebbend God’ en ‘de wereld is vol leed en boosheid’. Wat zou God moeten doen als Hij leed en dood uit de wereld wilde verwijderen? Welnu, Hij zou haar oorzaak moeten opruimen. De oorzaak van leed en dood is de zonde. Dus zou Hij ons, de veroorzakers van de zonde, uit deze wereld moeten verwijderen. Maar als Hij ons met niet vergeven schuld liet sterven, bleef er voor ons als verblijfplaats de hel over. Maar dat wil God niet. Daarom luidt Zijn plan uit liefde tot ons: Ik laat de mensen tijdens hun korte leven op aarde in de situatie van leed en dood, maar de reddende boodschap van het evangelie wordt aan hen verteld. Zo krijgen zij de mogelijkheid om aan het eeuwige leed te ontkomen en de uitnodiging voor de hemel aan te nemen. Daaruit volgt een mogelijkheid om een keus te maken: ‘Wie in Hem (Jezus Christus) gelooft, wordt niet geoordeeld. Maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God’ (Johannes 3:18). Consequenties voor ons Na al onze overleggingen kom ik terug op de bij het begin vier logische mogelijkheden wat betreft het gedrag van God. Zouden wij gedacht hebben dat nummer 2 het goede antwoord is? God kan het leed opruimen maar Hij wil het niet, want het dient tot ons heil. Vraag de Heer Jezus Christus om vergeving van al uw zonden. Neem Hem aan als uw persoonlijke Schepper en Redder en volg Hem zodat u zich kunt verheugen op een eeuwig leven zonder leed. Prof. dr. Werner Gitt
Heutzutage bringt man die beiden Begriffe "Evolution" und "Theorie" nicht mehr zusammen - die Entwicklung des Lebens über Milliarden von Jahren gilt als erwiesen. Dass sie es nicht ist, möchte Prof. Dr. Werner Gitt in diesem Traktat beweisen. Anhand einiger konkreter Beispiele zeigt er die Schwächen der Theorie auf und führt auch ein allgemeines Argument an, das der unerklärlichen Herkunft der Information, um letztlich das "wissenschaftliche AUS" für die Evolutionstheorie zu erklären. "Rechtzeitig zu Beginn des Darwinjahres 2009 erschien am 31. Dezember 2008 in der Zeitung ,DIE ZEIT' ein doppelseitiger Artikel mit der Überschrift ,Danke, Darwin!' [...] Der eigentliche Denknotstand unserer Welt ist, dass dem wirklichen Urheber aller Dinge nicht mit Leitartikeln ,Danke, Jesus!' gehuldigt wird." Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Wat Darwin nog niet kon weten In dit Darwinjaar 2009 staan kranten en tijdschriften bol van lovende artikelen over een man die 200 jaar geleden geboren werd en wiens revolutionaire boek »Over het ontstaan van de soorten« 150 jaar geleden verscheen. De filosoof Immanuël Kant (1724-1804) beweerde vol trots: »Geef me materie en ik bouw er een wereld van.« Ook de Franse wiskundige en astronoom Laplace (1749-1827) pochte 50 jaar later tegenover Napoleon: »Mijn theorieën hebben de hypothese »God« niet nodig.« Deze en andere vaders van het wetenschappelijk atheïsme hebben gezocht naar een verklaring voor het ontstaan van het leven waarin God niet meer voorkomt. Darwin gaf daarvoor schijnbaar het verlossende antwoord. Hij meende dat hij het ontstaan van het leven op een »natuurlijke wijze« kon verklaren. Hoewel hij zelf nog huiverend de consequentie van deze uitspraak in overweging nam, blijft de huidige, steeds goddelozer wordende wereld haar beschermheer in grote artikelen maar bejubelen. Tot Darwins reis naar de Galapagoseilanden (1835) steunde men op de leer van de Griekse filosoof Aristoteles die stelde dat de soorten onveranderlijk zijn. Naar aanleiding van de verschillende snavelvormen van de daar levende vinken concludeerde Darwin terecht: soorten kunnen zich aanpassen en veranderen. Zijn verdere conclusie dat alle leven op een gemeenschappelijke stamboom teruggaat, is wetenschappelijk echter niet te verdedigen. Darwin zag zelf al dat een grote zwakheid van zijn theorie was dat er in de natuur bijna geen fossiele tussenvormen te vinden zijn. Desondanks: volgens Darwins leer verloor de mens de bijzondere positie die de Schepper hem had toebedacht en was daarna nog slechts een uit het dierenrijk opgeklommen parvenu. De drijfveren van de evolutie Als drijfveren van de evolutie worden tegenwoordig genoemd: mutatie, selectie, isolatie, lange periodes, toeval en noodzakelijkheid en de dood. Al deze factoren bestaan; maar geen enkele daarvan brengt nieuwe creatieve informatie voort. Mutatie kan alleen al voorhanden zijnde erfinformatie veranderen. Zonder al voorhanden zijnde DNA-informatie kan evolutie echter niet eens van start gaan. Mutatie is volgens de definitie een toevalmechanisme zonder een enkel vooropgezet doel, zodat zij dientengevolge principieel geen nieuwe concepten (bijv. het uitvinden van organen) kan voortbrengen. Selectie geeft de voorkeur aan levende organismen die meer overlevingskans hebben en zorgt ervoor dat hun erfelijk materiaal met grotere waarschijnlijkheid doorgegeven wordt. Door selectie wordt echter alleen wat al voorhanden is uitgesorteerd en uitgeschift; er kan niets verbeterd worden of iets nieuws ontstaan. Ook de andere hierboven genoemde evolutiefactoren komen niet voor creatieve vormgevers in aanmerking. Laten we eens een paar voorbeelden op het gebied van levende organismen nader bekijken en daarbij onderzoeken of de doelloos werkende evolutiefactoren de volgende concepten tot stand konden brengen. De geslachtelijke vermeerdering Volgens de evolutieleer is de »vinding« van de geslachtelijke vermeerdering een doorslaggevende voorwaarde voor levende organismen om op een hoger ontwikkelingsniveau te komen. Door steeds weer nieuwe gencombinaties ontstaan vele varianten waarvan zij die zich het beste aan hun omgeving aanpassen het selectieproces overleven. Dit proces komt echter om twee redenen voor de gewenste evoluerende opwaartse trend in de stamontwikkeling niet in aanmerking: 1. De seksuele voortplanting kan helemaal niet door een evolutieproces beginnen. Die is toch alleen maar mogelijk als beide geslachten tegelijkertijd over organen beschikken die volgroeid zijn en volledig kunnen functioneren. Bij de evolutie zijn volgens de definitie geen sturende, doelgerichte, plannende strategieën. Hoe moet een ontwikkeling van de daarvoor noodzakelijke organen in een periode van duizenden generaties gaan, als levende organismen zich toch nog helemaal niet zonder deze organen kunnen vermeerderen? Maar als de langzame ontwikkeling uitgesloten kan worden, hoe kunnen dan zulke verschillende en bovendien complexe organen, die tot in de kleinste details op elkaar afgestemd moeten zijn, plotseling tevoorschijn komen? Bovendien moeten ze dan ook nog op dezelfde plaats beschikbaar zijn. 2. Zelfs als we zouden aannemen dat de mogelijkheid van geslachtelijke vermeerdering »uit de lucht« is komen vallen, dan zou er bij de vermenging van het erfelijk materiaal geen fundamenteel nieuwe informatie ontstaan. Plantentelers en dierenfokkers hebben door hun talrijke pogingen aangetoond dat hoogveredelde koeien steeds koeien zijn gebleven en dat uit tarwe nooit zonnebloemen zijn ontstaan. De zogenaamde micro-evolutie (veranderingen binnen een soort) is controleerbaar; van een macro-evolutie (veranderingen buiten de grenzen van een soort) ontbreekt ieder bewijs. Geniale techniek bij de rode bloedlichaampjes In iedere kubieke millimeter (1 mm3 = 1 μl = 1 microliter) bloed hebben we 5 miljoen rode bloedlichaampjes; dat zijn er in één druppel bloed 150 miljoen. Het zijn hooggespecialiseerde onderzeeërs die geen dodelijke torpedo’s aan boord hebben, maar iets doen wat uiterst noodzakelijk voor het leven is. Tijdens hun levensduur van 120 dagen worden ze 175.000 keer van zuurstof voorzien en tegelijkertijd ontladen ze in de longen het door oxidatie ontstane afvalproduct kooldioxide (CO2). Deze transportscheepjes zijn zo klein dat ze zich zelfs door de nauwste capillaire vaten dringen om alle delen van het lichaam te bereiken. Per seconde worden twee miljoen nieuwe rode bloedlichaampjes gevormd die de rode bloedkleurstof hemoglobine bevatten, een opmerkelijke, zeer complexe chemische verbinding. Hemoglobine is al tijdens de embryonale ontwikkeling van de mens nodig voor het transport van zuurstof. Tot de derde maand is de behoefte aan zuurstof duidelijk anders dan in het stadium van de foetus (vanaf de derde maand) en daarom is telkens een andere soort hemoglobine met een andere chemische samenstelling nodig. Kort voor de geboorte draaien alle fabrieken op topniveau om nog eens een omzetting te bewerkstelligen en de hemoglobine voor volgroeide baby’s geschikt te maken. De drie soorten hemoglobine kunnen niet langs evoluerende weg door uitproberen worden gevonden omdat de meeste andere varianten niet genoeg zuurstof zouden transporteren, wat dodelijk zou zijn. Zelfs als in twee stadia de juiste molecule zou worden vervaardigd, dan zou een zekere dood volgen als de derde niet zou kloppen. Driemaal wordt voor de vervaardiging van hemoglobine een fundamenteel andere biomachinerie gebruikt die ook nog op het juiste tijdstip de productie moet omschakelen. Waar komt zo’n gecompliceerde machinerie vandaan? Elk denkbeeld van de evolutieleer faalt hier volkomen, want in hun halfklare tussenstadia, die volgens de evolutieleer tot deze complexe machinerieën zouden hebben geleid, zouden de levende organismen niet eens hebben kunnen overleven. Dit concept van niet te herleiden complexiteit geldt ook voor het immuunsysteem van het menselijk organisme of voor het flagellum waarmee bacteriën zich voortbewegen. Ook hierbij zouden de levende organismen »onderweg« naar hun huidige stadium niet hebben kunnen overleven. Het is veel meer voor de hand liggend om aan te nemen dat alles van begin af aan klaar is geweest en dat is alleen maar mogelijk als een wijze Schepper alles zo ontworpen en geschapen heeft, dat het volledig kan functioneren. De vlucht van de goudplevier De goudplevier is een prachtige vogel. Elk exemplaar van dit schepsel kruipt in Alaska uit het ei. ’s Winters wordt het daar echter heel koud en daarom trekken de vogels dan naar Hawaï. Dat doel is 4500 kilometer ver weg en er is een non-stopvlucht nodig, omdat er onderweg geen eiland is om te rusten en de vogel ook niet kan zwemmen. Voor de vlucht heeft de goudplevier een volle brandstoftank in de vorm van 70 gram opgespaard vet. Daarvan is 6,8 gram reservevet ingecalculeerd voor het geval hij met tegenwind te kampen krijgt. Omdat de vogel drieëneenhalve dag achter elkaar dag en nacht moet vliegen en een haarscherpe koers moet vast zien te houden, heeft hij een exact werkende automatische piloot nodig. Als hij het eiland voorbijvliegt, gaat hij een zekere dood tegemoet, omdat er wijd en zijd geen landingsmogelijkheden zijn. Als hij deze precies uitgekiende vetvoorraad niet zou hebben, zou hij niet overleven. Mutaties en selectie zijn ook in dit geval weer ongeschikte constructeurs. Het is aannemelijker dat de goudplevier al van begin af aan zo geschapen is – toegerust met alles wat hij nodig heeft. Is de evolutieleer een bruikbaar denkmodel? Zoals de bovenstaande korte blik op het gebied van levende organismen voorbeeldig laat zien, vinden we ook elders zonder uitzondering in hoge mate doelgerichte concepten: De potvis, een zoogdier, is zo uitgerust dat hij uit 3000 meter diepte kan opduiken, zonder daarbij aan de gevreesde duikersziekte te sterven. Een enorme hoeveelheid microscopisch kleine bacteriën in ons darmkanaal heeft ingebouwde elektromotoren die vooruit en achteruit kunnen draaien. Van het volledig kunnen functioneren van organen (bijv. hart, lever, nieren) hangt in de meeste gevallen het leven af. Onvoltooide, nog in ontwikkeling zijnde organen zijn waardeloos. Wie hierbij in de geest van het darwinisme denkt, moet weten dat de evolutie geen doelgerichte perspectieven in de richting van een orgaan dat later eens gaat functioneren kent. De Duitse evolutiebioloog G. Osche merkte heel juist op: »Levende organismen kunnen immers tijdens bepaalde evolutiefasen niet als een ondernemer het bedrijf wegens verbouwing tijdelijk sluiten.« De in de werken van de schepping tot uitdrukking komende intelligentie en wijsheid is welhaast overweldigend. De gevolgtrekking die we uit de werken van de schepping kunnen maken, namelijk dat er een creatieve Maker moet zijn, is daarom meer dan alleen maar voor de hand liggend. Wat de Bijbel al in het eerste vers tot uitdrukking brengt: »In den beginne schiep God!« sluit dus goed bij onze waarneming aan. Onder invloed van het darwinisme kwam de bijbelkritische theologie tot stand, die het scheppingsverhaal als boodschap van God diskwalificeerde. Maar we doen er goed aan »gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat« (Handelingen 24:14), want »God is geen mens dat Hij liegen zou« (Numeri 23:19). Waar komt de informatie vandaan? De sterkste bewijsvoering wordt in de wetenschap altijd dan gegeven als men natuurwetten zo kan toepassen dat ze een proces of voortgang uitsluiten. Natuurwetten kennen geen uitzondering. Om die reden is bijvoorbeeld een perpetuum mobile, een machine die zonder energietoevoer blijft draaien, onmogelijk. Tegenwoordig weten we wat Darwin niet kon weten, dat de cellen van alle levende organismen een welhaast onvoorstelbare hoeveelheid informatie bevatten en die daarbij ook nog in de hoogste ons bekende verpakkingsdichtheid voorkomt. De vorming van alle organen wordt door informatie aangestuurd, alle processen in de levende organismen worden door informatie aangestuurd en de vervaardiging van alle lichaamseigen substanties (bijv. 50.000 eiwitten in het menselijk lichaam) wordt door informatie aangestuurd. Het denkraam van de evolutieleer zou eigenlijk alleen maar kunnen functioneren als er in de materie een mogelijkheid zou zijn dat door toevalsprocessen informatie zou kunnen ontstaan. Dat is absoluut vereist, omdat alle bouwplannen van de individuen en alle complexe ontwikkelingen in de cellen op grond van informatie verlopen. Informatie (data) is een niet-materiële grootheid, en is daarom geen eigenschap van de materie. De natuurwetten van niet-materiële grootheden, vooral van die van informatie zeggen dat materie nooit een niet-materiële grootheid kan voortbrengen. Bovendien geldt: informatie kan alleen maar ontstaan door een met verstand en wil uitgeruste vervaardiger. Daarmee is al duidelijk: wie het denkbeeld evolutie voor mogelijk houdt, gelooft aan een »perpetuum mobile van informatie«, aan iets wat de algemeen geldende natuurwetten absoluut verbieden. Daarmee is de achilleshiel van de evolutieleer geraakt en het wetenschappelijke ervan uitgerangeerd. Waar komt het leven vandaan? Bij al het geschreeuw over evolutie in onze tijd vraag je je af: »Waar komt het leven dan echt vandaan?« De evolutie heeft er niet de minste verklaring voor hoe leven uit de dood kan ontstaan. Stanley Miller (1930-2007), wiens »oersoepexperiment« (1953) in ieder biologieboek wordt vermeld, gaf veertig jaar later toe dat geen enkele huidige hypothese over de oorsprong van het leven kan overtuigen. Hij noemde ze allemaal »onzin«, soms »chemische miskramen«. De microbioloog Louis Pasteur (1822-1895) heeft iets zeer principieels ingezien: »Leven kan alleen uit leven ontstaan.« Maar één Iemand kon zeggen: »Ik ben het leven« (Johannes 14:6) en dat was Jezus. Over Hem staat in Colossenzen 1:16: »want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare« en ook in Johannes 1:3: »Alle dingen zijn door het Woord (Jezus) geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.« Iedere theorie over het ontstaan van de wereld of het leven waarin Jezus niet als bron en oorsprong van het leven wordt genoemd, is daarmee een dood bouwsel, dat op de rots Jezus onvermijdelijk moet stuklopen. De evolutieleer is daarmee een van de grootste dwalingen van de wereldgeschiedenis en heeft miljoenen mensen de afgrond van het ongeloof ingesleurd. Wat veel tijdgenoten helaas niet bedenken: op de afgrond van het ongeloof volgt aan de andere kant van de dood de afgrond van de eeuwige verlorenheid (hel). De eigenlijke noodtoestand in het denkpatroon van onze wereld is dat de werkelijke Maker van alle dingen niet met hoofdartikelen »Dank u, Jezus!« wordt gehuldigd. Velen weten er niets van dat Jezus Christus ons een geweldig aanbod heeft gedaan. Hij heeft gezegd: »Ik ben de deur« (Johannes 10:9) en daarmee bedoelde Hij de ingang naar de hemel. Wie tot Hem komt, heeft het eeuwige leven. Dr.-Ing. Werner Gitt Directeur en Professor
An verschiedenen Beispielen wird die Genialität der Schöpfung dargestellt. Als Wissenschaftler erklärt Prof. Dr. Werner Gitt, dass die unglaubliche Information, die in der ganzen Schöpfung steckt, einer intelligenten Quelle bedarf. Diese Quelle ist Gott selbst. Die Wissenschaft kann nur das "Was" analysieren, nicht aber das "Woher". Das "Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde" der Bibel gibt uns eine Antwort auf die Frage nach der Herkunft des Lebens. Der Gedanke, Gott hätte durch Evolution geschaffen (die so genannte "Theistische Evolution"), untergräbt die Autorität der Bibel und ist mit dem christlichen Glauben unvereinbar. Die Bibel zeigt deutlich, dass Jesus der Schöpfer ist. Jesus hat die Menschen geschaffen und liebt sie hingebungsvoll. Darum lädt Jesus dazu ein, diese Liebe anzunehmen. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Wie is de Schepper? De wereld zoals wij die waarnemen Kijkend naar de essentie van het leven zien we complexe doelgerichte concepten: de potvis, een zoogdier, is zo toegerust, dat hij 3000 meter diep kan duiken, zonder bij het stijgen aan de caissonziekte te sterven en de bonte specht timmert met krachtige slagen tegen een boom zonder een hersenschudding te krijgen. Van het goed functioneren van de organen (bijv. hart, lever, nieren) hangt in de meeste gevallen ons leven af. Niet goed ontwikkelde of half volgroeide organen zijn onbruikbaar. Wie hier in de lijn van Darwin redeneert, moet beseffen dat de evolutie geen doelgerichte ontwikkeling kent naar een uiteindelijk goed functionerend orgaan. Veel trekvogels beschikken over een ‘automatische piloot’, die hen onafhankelijk van de weersgesteldheid en van de wisseling van dag en nacht zonder mankeren naar hun doel brengt. De goudplevier bijv. vliegt van Alaska naar Hawaï om te overwinteren. De energieafname van 70 gram vet tijdens de 4500 km lange vlucht is zeer precies berekend en met 6,8 gram reserve is zelfs tegenwind ingecalculeerd. De nautilus (een inktvis) heeft aan het uiteinde een opgerolde kalkschaal, waarvan het binnenste in kamers is opgedeeld. Deze kamers worden afhankelijk van de diepte waarop het dier zich bevindt met gas gevuld, zodat het dier steeds in balans blijft. Onze moderne onderzeeboten ogen in vergelijking daarmee plomp en onbeholpen. De dieren leven normaal gesproken op een diepte van 400 meter, maar komen ‘s nachts omhoog tot een diepte van 100 meter. Sommige microscopisch kleine bacteriën hebben ingebouwde, met protonen werkende elektromotoren die hen vooruit en achteruit kunnen laten bewegen. Op een onvoorstelbaar kleine ruimte van zegge en schrijve slechts zes miljardste kubieke millimeter beschikt de colibacterie over zes van zulke motoren, een ingebouwde elektriciteitscentrale, een computersysteem en een niet gering aantal chemische fabrieken. Een levende cel is tientallen malen gecompliceerder en genialer opgebouwd dan alle door mensen ontworpen machines. In iedere cel spelen zich gelijktijdig duizenden goed geordende, daarbij op elkaar afgestemde chemische processen af. In de DNA-moleculen van levende cellen vinden we de hoogste informatiedichtheid die we kennen. Hoeveel pocketboeken zouden er nodig zijn om alle informatie vast te leggen die we vinden op slechts een speldenknop met DNA? 15 biljoen exemplaren! Dit aantal boeken op elkaar gelegd geeft een stapel van 200 miljoen kilometer hoogte en dat is meer dan 500 keer de afstand van de aarde naar de maan (= 384.000 km). In ons heelal bevinden zich ongeveer 1025 sterren (= een 1 met 25 nullen). Dit is in één mensenleven niet te tellen. Zouden we hiervoor een zeer snelle computer gebruiken, die per seconde 10 miljard rekenkundige bewerkingen kan uitvoeren, dan zou deze daarvoor 30 miljoen jaar nodig hebben! Bij het bezien van deze paar voorbeelden stelt ieder weldenkend mens zich de vraag naar de oorsprong van al die geniale concepten. De door veel tijdgenoten geaccepteerde evolutieleer is geen bruikbaar antwoord, omdat deze alles uitsluitend op de materie terugvoert – ook de ziel, het bewustzijn en de immense hoeveelheid informatie in de cellen. Volgens de natuurwetten echter is informatie immaterieel en daarom heeft zij altijd een intelligente bron nodig, dus een met een wil uitgeruste ontwerper. De in de schepping getoonde intelligentie en wijsheid zijn ronduit overweldigend. Om onze waarnemingen op een creatieve schepper terug te voeren lijkt dan ook een onontkoombare conclusie. Dat brengt ons bij de volgende vraag: Waar vinden we een afdoende antwoord? Door middel van de natuurwetenschappen kunnen de ons omringende werkelijkheid van ruimte en tijd slechts door diverse methoden van meten en wegen onderzocht worden. Alleen het ‘Wat’ van het geschapene kan behandeld worden, niet het ‘Waar vandaan?’ Het antwoord op de tweede vraag ligt buiten de menselijke inspanningen en kan daarom slechts door de Schepper zelf gegeven worden. Maar hoe heeft de Schepper zich dan geopenbaard? In de Bijbel, de Koran of in een boek over de wereldgeschiedenis? De vele wereldreligies kunnen niet allemaal waar zijn, omdat zij zeer verschillende en tegenstrijdige antwoorden geven. Óf zij zijn alle vals, óf slechts één kan waar zijn. Een belangrijk criterium om de waarheid te toetsen zijn vervulde profetieën. De Bijbel is het enige boek, waarin aanwijsbaar 3.268 profetieën uitgekomen zijn. Geen ander boek in de wereld kan dit evenaren. De Bijbel is onvergelijkbaar en steekt boven alles uit wat ooit geschreven is. Daarom is de Bijbel voor mij Gods antwoord aan ons mensen. Al in het eerste vers beantwoordt de Bijbel de vraag naar de Schepper: “In het begin schiep God.” Dat sluit goed aan bij de bovengenoemde vraag naar een intelligente bron. Wie is die Schepper? Vóór alles was God er. Voordat er ruimte, tijd en materie was, was Hij de handelende God. Op zichzelf bezien wekt de eerste zin van de Bijbel de indruk, dat alleen God de Vader de Schepper is. Een beslissende aanwijzing dat Hij niet alleen de scheppende Persoon is, vinden we al in de woorden uit Genesis 1:26: “Laten Wij mensen maken.” Ook de Heilige Geest is erbij betrokken; zijn medewerking vernemen we in het tweede vers van het scheppingsbericht: “… en de Geest van God zweefde boven het water.” De Bijbel somt niet alles in één keer op; vaak worden we stap voor stap geïnformeerd. In het tweede deel van de Bijbel, het Nieuwe Testament, komt de ‘Wie-vraag’ gedetailleerder aan bod. Zo wordt in 1 Korintiërs 8:6 Jezus Christus duidelijk bij het scheppingswerk betrokken: “Toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.” Het Hebreeuwse woord ‘Elohim’, genoemd in Genesis 1:1, is een meervoudsvorm voor de Schepper. Door een alledaagse gebeurtenis als vergelijking te gebruiken wordt het scheppingswerk verduidelijkt: wij rijden als gezin met de auto naar vrienden. Wanneer het afscheid nadert, dan zeg ik als woordvoerder: ‘nu gaan wij weer naar huis’. Ook al spreek ik in meervoudsvorm, toch betekent het: slechts één van ons zit aan het stuur en rijdt. De rest van het gezin zit ook in de auto – “rijdt” dus mee –, maar alleen de bestuurder bedient het stuur, gaspedaal en de rem. Deze zwakke vergelijking kan ons zicht geven op hoe de schepping volgens de Bijbel plaatsvond. Door Jezus Christus heeft God de wereld geschapen. Zo staat het in Hebreeën 1:2. Ook in het begin van het Evangelie van Johannes lezen we, dat alles wat bestaat zijn oorsprong heeft in Jezus: “Alle dingen zijn door het Woord (= door Jezus) gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is” (Johannes 1:3). Jezus Christus is de Schepper Over Jezus als Schepper lezen we verder in Kolossenzen 1:16-17: “Want door Hem (= Jezus Christus) zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem.” In de zichtbare, stoffelijke wereld is er niets, dat niet door Jezus geschapen werd. De reusachtige kosmos met de miljoenen sterrenstelsels is hier net zo goed onderdeel van als de kleinste details van de werking van een levende cel of de structuur van een atoom. Jezus is niet alleen de ontwerper van de totale micro- en macrokosmos; Hij heeft er ook de zeggenschap over. Daarnaast is ook het voor ons nog onzichtbare door Jezus gecreëerd. Hij verlevendigde de hemel met ontelbare wezens, die de Bijbel engelen noemt. Alles in Gods schepping is veelzijdig en tegelijkertijd geordend en dat geldt ook voor de onzichtbare wereld, zoals de woorden ‘vorsten, heersers, machten en krachten’ duidelijk maken. Jezus is niet alleen de Schepper, Hij is ook degene die deze wereld in stand houdt. Hij houdt alles bij elkaar. De wereld is na de schepping niet aan zichzelf overgelaten, maar door Zijn krachtig Woord draagt en onderhoudt Hij hem ook. We hoeven dus niet bang te zijn voor een kosmische catastrofe met botsende sterren of voor het opbranden of afkoelen van de zon. Jezus houdt de wereld in stand, totdat Hij terugkomt. De mens ontstond niet door een soort kosmische loterij, zoals de Nobelprijswinnaar Jaques Monod meende. Integendeel, wij zijn geschapen met een doel en met een vaststaande bestemming: om bij Jezus te zijn! Zonder dit doel heeft ons leven geen betekenis. Jezus als Schepper in het Oude Testament Allereerst bekijken we twee teksten uit het Oude Testament. De eerste staat in Psalm 45:7-9: “Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid. … Daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.” De andere tekst vinden we in Psalm 102:25-26: “Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen, … U hebt voorheen de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van Uw handen.” Bij het lezen van deze tekst krijgen we allereerst de indruk dat hier sprake is van God de Vader als Schepper. Misschien verrast het ons, dat beide teksten in het Nieuwe Testament in Hebreeën 1:8-10 worden aangehaald en op Jezus toegepast: “Maar tegen de Zoon zegt Hij (Psalm 45:7-8): ‘Uw troon, o God, bestaat in alle eeuwigheid. De scepter van Uw koninkrijk is een scepter van het recht. U hebt gerechtigheid lief en haat ongerechtigheid. Daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen. En (Psalm 102:26-28): In het begin hebt U, Heere, de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken van Uw handen.’” Hoe is de Schepper te werk gegaan? Op deze vraag openbaart de Bijbel ons de methoden van de Schepper: door het Woord van God: Psalm 33:6, Johannes 1:1-4 uit het niets: Hebreeën 11:3 door de kracht van God: Jeremia 10:12 door de wijsheid van God: Psalm 104:24, Kolossenzen 2:3 naar de wil van God: Genesis 1:26, Openbaring 4:11 door de Zoon van God: Johannes 1:1-4, Johannes 1:10, Kolossenzen 1:15-17 naar het karakter van Jezus: Mattheüs 11:29, Johannes 10:11. Deze punten zie je binnen de zes scheppingsdagen terug. Ze zijn niet onderworpen aan de natuurwetten en zijn daarom slechts door geloof te bevatten. De huidige natuurwetten regelen het verloop van onze wereld; zij zijn echter niet de oorzaak, maar het gevolg van de schepping. Wat is ons in Jezus Christus gegeven? Hij is het fundament, waarop wij ons leven kunnen bouwen. Christus is de grondslag van alles: de schepping, de Bijbel, het geloof, het heil, vrede, hoop, de weg naar de Vader, het doel van het leven. Christus is de onwrikbare vaste rots (1 Korintiërs 10:4), waarop alle door mensen bedachte systemen breken zullen. Als God zegt: “Ik zal de wijsheid van de wijzen verloren doen gaan” (1 Korintiërs 1:19), dan gebeurt dat door Jezus, de rots. Ideologieën, atheïsme en evolutietheorieën spatten hierop uiteen. Ook hun aanhangers zullen eenmaal hun knie voor deze Heer moeten buigen (Filippenzen 2:10), ook al wijzen ze nu nog zo heftig de “Planner”, “Ontwerper”, “Schepper” en “Redder” af. Waarom is de evolutietheorie zo gevaarlijk? Ze geeft ons niet alleen een vals wereldbeeld, maar voert ons daarnaast in een hopeloosheid, zoals de Duitse schrijver Jean Paul het zo raak beschreven heeft: “Er is geen God … Star stom niets! Koud eeuwig noodlot! Waanzinnig toeval … Hoe alleen is ieder van ons in die immense dodenkamer, het heelal!” De evolutieleer beweert deze wereld te kunnen verklaren zonder een Schepper. En zo leidt zij de mens naar het atheïsme en met een atheïstische overtuiging komen we volgens het getuigenis van Jezus terecht in de hel: “maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden” (Markus 16:16). Velen proberen de evolutie te verklaren als een werkwijze van God. Wanneer God echter door middel van evolutie geschapen zou hebben, dan zou er geen sprake zijn van een eerste mensenpaar. zou er ook geen zonde zijn, omdat “agressie het vliegwiel is dat de evolutie aandrijft” (Joachim Illies). zou God de dood als middel in de schepping hebben gebruikt. zou de verlossing door Jezus, die tegenover de zondige Adam ook wel “de laatste Adam” (1 Korintiërs 15:45) wordt genoemd, van zijn betekenis zijn ontdaan. Deze overwegingen maken duidelijk dat de zogenoemde “Theïstische Evolutie” de Bijbel in haar grondbeginselen aantast en daarmee verwerpt. Daarom moet dit verkeerde beeld volkomen afgewezen worden. Een ontzagwekkende gedachte Wij hebben gezien dat Jezus de Schepper is van alle dingen. Hij is eeuwig en Hij is de Koning van het hemelse Koninkrijk. Hem is alle macht in de hemel en op de aarde gegeven (Mattheüs 28:18). Kunnen we de nu volgende ontzagwekkende gedachte bevatten? De Man aan het kruis van Golgotha en de Schepper van deze wereld en van het leven is één en dezelfde Persoon! In zijn onpeilbare liefde voor ons liet Hij zich kruisigen en verzette zich niet, waardoor Hij voor ons de deur naar de hemel opendeed. Wie dat verwerpt, verliest alles: “Hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo’n grote zaligheid veronachtzamen?” (Hebreeën 2:3). Wie Hem aanneemt, wint alles: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven … (hij) is uit de dood overgegaan in het leven” (Johannes 5:24). Vraag de Heer Jezus om vergeving van al uw zonden, zodat u niet in het oordeel van God valt, neem Hem aan als uw persoonlijke Redder en Heer en volg Hem. Dr. ing. Werner Gittdirecteur en professor
Viele Menschen gehen davon aus, dass das Leben auf der Erde durch Evolution entstanden ist und meinen, dass dies wissenschaftlich bewiesen sei. Anhand der Naturgesetze der Information stellt Prof. Dr. Werner Gitt sechs Schlussfolgerungen auf, die eindeutig die Möglichkeit der Entstehung des Lebens durch Evolution ausschließen. "Die stärkste Argumentation in der Wissenschaft ist immer dann gegeben, wenn Naturgesetze angewandt werden, um einen Vorgang oder eine Idee zu begründen oder auch zu widerlegen. In allen Lebewesen finden wir eine geradezu unvorstellbare Menge an Information, die unbedingt erforderlich ist für die Baupläne der Individuen und für die Steuerung aller komplexen Vorgänge in den Zellen. Mit Hilfe der Naturgesetze der Information werden wir nachweisen, dass jegliche Information, und damit auch die biologische Information, einen intelligenten Urheber benötigt." Weerlegging van de evolutie door natuurwetten Natuurwetten over informatie en hun conclusies De sterkste argumentatie in de wetenschap wordt gegeven, als natuurwetten toegepast worden, om een proces of een idee te staven en ook te weerleggen. In alle levende wezens vinden we een onvoorstelbare hoeveelheid aan informatie, die beslist vereist is voor de bouwplannen van de individuen en voor de aansturing van alle complexe processen in de cellen. Met behulp van de natuurwetten van de informatie zullen we aantonen dat elke informatie, en daarmee ook de biologische informatie, een intelligente Schepper nodig heeft. Wat is een natuurwet? Als er in onze waarneembare wereld de algemene geldigheid van stellingen op een reproduceerbare manier steeds bevestigd wordt, dan spreekt men van een natuurwet. De natuurwetten bezitten in de wetenschap de sterkste gewichtigheid, want ze kennen geen uitzondering. ze beantwoorden de vraag of een denkbeeldig proces überhaupt mogelijk is of niet. ze bestaan altijd al, en wel onafhankelijk van hun ontdekking en formulering door mensen. ze kunnen steeds met succes ook op onbekende gevallen worden toegepast. Onder de natuurwetten verstaan we normaal gesproken de natuurkundige en chemische wetten. Wie meent dat onze wereld alleen met materiële groottes beschrijfbaar is, beperkt zijn waarneming. Ook de niet-materiële groottes bijv. de informatie, de wil en het bewustzijn behoren tot onze werkelijkheid. Natuurwetten voor niet-materiële groottes vervullen dezelfde strenge criteria als die voor materiële groottes en zijn daarom in hun conclusies ook van grote betekenis. Definitie van informatie en haar natuurwetten Om de natuurwetten van de informatie te kunnen beschrijven en een onbekend systeem te kunnen analyseren, heeft men een geschikte en exacte definitie nodig: Informatie is altijd dan aanwezig, wanneer in een waarneembaar systeem alle vijf volgende hiërarchische niveaus voorkomen: statistiek, syntaxis (code, grammatica, woordenschat), semantiek (betekenis), pragmatiek (handeling) en apobetiek (doelstelling, resultaat). De vier natuurwetten over informatie (NGI) luiden: NGI-1: Een materiële grootte kan geen niet- materiële grootte doen ontstaan. NGI-2: Informatie is een niet-materiële grootte. NGI-3: In statistische processen (= processen zonder sturende intelligentie) kan geen informatie ontstaan. NGI-4: Informatie kan uitsluitend door een intelligente zender ontstaan. Een intelligente zender beschikt over bewustzijn, is uitgerust met een eigen wil, is creatief, denkt zelfstandig en werkt doelbewust. Hieronder worden met behulp van de natuurwetten zes belangrijke conclusies getrokken. Zes verstrekkende conclusies Nadat de natuurwetten van de informatie ons bekend zijn, kunnen we deze gericht en effectief voor verstrekkende conclusies gebruiken. Omdat onze vragen echter boven de wetenschappelijke, mogelijke antwoorden uitgaan, hebben wij een hogere informatiebron nodig, en deze is voor mij als christen de Bijbel. Hieronder noemen we eerst de wetenschappelijke conclusie op grond van de natuurwetten en aansluitend geven we de Bijbelse verwijzing, die het wetenschappelijk resultaat bevestigt of zelfs daarboven uitgaat. Conclusie C1: Omdat wij in alle vormen van het leven een code (DNA-moleculen resp. RNA-moleculen) en de andere niveaus van informatie aantreffen, bevinden we ons ondubbelzinnig binnen het definitiegebied van informatie. Dus kunnen we daaruit concluderen: Er moet daartoe een intelligente Zender zijn! (Toepassing van NGI-4) Omdat er geen aantoonbaar proces door waarneming of experiment in de materiële wereld is, waarbij vanzelf informatie in de materie is ontstaan, geldt dat ook voor al die informatie in het levende wezen. Dus vereist NGI-4 ook hier een intelligente Schepper, Die de programma’s ‘schreef‘. De conclusie C1 is dus een bewijs van het bestaan van God en ook een wetenschappelijke weerlegging van het atheïsme. Conclusie C2: De informatie, die in het DNA-molecule is gecodeerd, overtreft al onze huidige technologieën. Omdat geen mens als zender in aanmerking komt, moet deze buiten onze zichtbare wereld gezocht worden. We kunnen daaruit opmaken: De zender moet niet slechts uiterst intelligent zijn maar over oneindig veel informatie en intelligentie beschikken, dat betekent: Hij moet alwetend zijn. (Toepassing van NGI-1, NGI-4) Als we zouden aannemen dat deze Zender (Maker, Schepper, God) in Zijn intelligentie beperkt zou zijn, dan had Hij een god boven hem nodig, die Hem heeft onderwezen. Omdat deze ook wederom een leraar nodig had, komen we op oneindig veel goden, waarbij de ‘laatste’ door het voortdurend optellen tot een onbegrensde kennis zou komen, dus alwetend zou zijn. Het logische gelijkwaardige alternatief is om slechts één enkele God aan te nemen. Maar dan moet deze oneindig intelligent zijn en oneindig veel informatie ter beschikking hebben. Hij moet dus alwetend zijn. Het tweede alternatief onderwijst ook de Bijbel ons. Er is slechts één God: ‘Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste en buiten Mij is er geen God’ (Jesaja 44:6). Wanneer deze God alwetend (C2!) is, dan heeft Hij kennis over alle dingen in de tegenwoordige tijd, in het verleden en ook in de toekomst. Maar wanneer Hij ook alle dingen aan de andere kant van alle tijdelijke grenzen weet, dan moet Hij Zelf eeuwig zijn! Dat staat ook in Psalm 90:2; Jesaja 40:28 en Daniël 6:27. Conclusie C3: Omdat de Zender de informatie geniaal heeft gecodeerd, die wij in de DNA-moleculen aantreffen, de complexe biologische machines moet hebben geconstrueerd, die de informatie decoderen en al de processen tot biosynthese uitvoeren, en ook bij alle levende wezens elk detail gevormd en alle bekwaamheden moet hebben geprogrammeerd, kunnen wij concluderen dat de Zender dit alles zo gewild heeft en dat Hij heel machtig moet zijn. Bij de vorige conclusie C2 konden wij op de grondslag van natuurwetten vaststellen, dat de Zender (Schepper, God) alwetend en eeuwig moet zijn. Nu stellen we de vraag naar de grootte van Zijn macht. Met toepassing van dezelfde logica zoals bij C2 komen we tot het resultaat, dat Hij almachtig moet zijn. Dit betuigt ook de Bijbel: ‘Ik ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige’ (Openbaring 1:8). Conclusie C4: Omdat wij mensen in staat zijn om nieuwe informatie te creëren, kan ze niet van ons materiële deel (lichaam) afkomstig zijn. We kunnen daaruit concluderen: De mens moet een niet-materiële component hebben (ziel, geest). Daarmee is ook het idee van het materialisme weerlegd. (Toepassing van NGI-1, NGI-2) In de evolutie- en moleculaire biologie wordt uitsluitend materialistisch gedacht. Met behulp van de informatiestellingen laat het materialisme zich als volgt weerleggen: Wij allen hebben de bekwaamheid om nieuwe informatie (bijv. brieven, boeken) – dus een niet-materiële grootte - te produceren. Omdat materie dit niet kan (NGI-1), is naast ons (materiële) lichaam nog een niet-materiële component vereist en dat is de ziel. In 1 Thessalonika 5:23 bevestigt de Bijbel deze conclusie: ‘Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heer Jezus Christus’. Het lichaam is het materiële deel van de mensen, terwijl de ziel en de geest niet-materieel zijn. Hersenen: Vanwege de materialistische denkwijze in de natuurwetenschappen werken de onderzoekers met het uitgangspunt: ‘Ons brein is de bron van de informatie’. Deze voorstelling is verkeerd, want ons brein is materie en kan vanwege NGI-1 geen informatie produceren. De hersenen kunnen dus niet de bron van de informatie zijn. Het is slechts een informatieverwerkende machine, maar wel een uiterst complexe. Conclusie C5: Omdat informatie de fundamentele component van al het leven is, die niet van materie en energie kan afstammen, is er een intelligente Zender vereist. Maar omdat alle theorieën van de chemische en biologische evolutie eisen, dat de informatie alleen van materie en energie stammen (geen zender), kunnen we concluderen, dat al deze theorieën en concepten van de chemische en biologische evolutie (macro-evolutie) VERKEERD moeten zijn. (Toepassing van NGI-1, NGI-2) De evolutieleer probeert het leven alleen op natuurkundig en chemisch niveau te verklaren. De natuurwetten van de informatie sluiten het idee van een macro evolutie – dus de weg van de oercel tot op de mens – uit. Het evolutiesysteem blijkt met het oog op de informatiestellingen een ‘Perpetuum mobile’ (iets onmogelijks) te zijn. Micro evolutie, dus aanpassingen binnen een soort (bijv. de Darwin-vinken met verschillende snavelvormen), is waarneembaar. De daartoe vereiste informatie is bijgevolg ook niet in de materie ontstaan, maar berust op programmavertakkingen, die de Schepper in Zijn alwetendheid al van te voren heeft bepaald. Het scheppingsverhaal beklemtoont negenvoudig herhalend, dat de onvoorstelbare veelvoudigheid van al het leven heel specifiek – een ieder naar zijn aard – geschapen werd. Ook hier is geen spoor van evolutie zichtbaar. Conclusie C6: Omdat het levende een niet-materiële grootte is, kan de materie het niet voortgebracht hebben. Daaruit concluderen wij: Er is geen proces in de materie, dat van levenloosheid tot leven wordt gewekt. Zuiver materiële processen kunnen noch op de aarde, noch ergens anders in het heelal tot leven leiden. (Toepassing van NGI-1) Dat, wat het levende (of het fenomeen ‘leven’) van een levend wezen bepaalt, is evenzo van niet-materiële aard zoals informatie. Zoals de conclusie C6 laat zien, kan met behulp van deze nieuwe benadering het spontane ontstaan van het leven in de materie uitgesloten worden. Het zoeken naar leven op andere hemellichamen is daarom een doelloze onderneming. Samenvatting Met behulp van de informatiewetten konden wij meerdere wijdverbreide ideeën weerleggen, namelijk: de zuiver materialistische denkwijze in de natuurwetenschappen. alle gangbare evolutievoorstellingen (chemische, biologische evolutie). het materialisme (bijv. het materialistische mensbeeld). het atheïsme. We konden verder nog bewijzen, dat de, door de natuurwetten van de informatie vereiste Schepper van het leven (Schepper, God) moet bestaan. dat deze Schepper alwetend en eeuwig moet zijn. dat Hij almachtig moet zijn. dat de mens een niet-materiële component (ziel) moet hebben. dat onze hersenen niet de bron van de door ons geproduceerde informatie kunnen zijn. Wie is de Zender, wie de Schepper? We komen nu bij een belangrijke vraag: wie is de Zender van de biologische informatie en wie is de Schepper van al het leven? God de Vader gaf de scheppingsopdracht aan Zijn Zoon, de Heer Jezus en daarom staat er van de Heer Jezus in het Nieuwe Testament: (Kolosse 1:15-17): ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God … Want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, … Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem’. In onze wereld bestaat er dus niets, wat niet door de Heer Jezus geschapen werd: het reusachtige heelal hoort ook daarbij net zoals elke microbe, elke mier, elke giraffe en ook ieder mens. Een adembenemende gedachte De Heer Jezus is Degene, Die vanaf alle eeuwigheid was en Die de Koning van de hemel is. Aan Hem is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (Mattheüs 28:18). Kunnen wij de volgende adembenemende gedachte bevatten? De Man aan het kruis op Golgotha en de Schepper van deze wereld en al het leven is één en dezelfde Persoon! In Zijn onuitwisbare liefde tot ons liet Hij Zich vanwege onze zonden kruisigen en verweerde Zich niet, om voor ons de deur van de hemel te openen. Wie dat verwerpt, verliest alles: ’Hoe zullen wij ontkomen, als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen?’ (Hebreeën 2:3). Wie Hem aanneemt, wint alles, want de Heer Jezus zei: ‘Wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven’ (Johannes 5:24). Vraag de Heer Jezus om vergeving voor al uw zonden, zodat u in het oordeel van God kunt bestaan. Neem Hem als uw persoonlijke Schepper en Redder aan en volg Hem. Dir. en ProfessorDr. Ing. Werner Gitt
Die grundlegende Frage, die suchende Menschen sich stellen, wird hier von Prof. Dr. Werner Gitt beantwortet. "Wie findet man den Himmel?" Auf jeden Fall nicht durch eigene Anstrengungen oder Konzepte. "Was aber bringt uns wirklich in den Himmel?" Gott hat die Einladungen für den Himmel schon verteilt wie im Gleichnis des Menschen, der zu einem großen Fest Einladungen verschickte. Doch viele Menschen redeten sich heraus. Prof. Dr. Gitt ruft dazu auf, nicht so "kurzsichtig" wie diese Leute zu sein. Jesus will uns vor der Hölle erretten und diese wird kein Vergleich zu der sogenannten "Hölle von Auschwitz" sein. Er hat am Kreuz für unsere Schuld bezahlt, wir müssen diese Einladung nur annehmen, dann ist ein Platz im Himmel "gebucht". Ein Entscheidungsgebet soll den Lesern dabei helfen. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Hoe kom ik in de hemel? Veel mensen verdringen de vraag naar de eeuwigheid. Dat zie je zelfs bij diegenen, die over hun levenseinde nadenken. De Amerikaanse actrice Drew Barrymore speelde als kindsterretje in de science fiction film “E.T. the Extra-Terrestrial (1982)” een hoofdrol. Toen ze achtentwintig jaar was (geb. 1975) verklaarde ze: ‘wanneer ik vóór mijn katten sterven zou, dan mogen ze hen mijn as te vreten geven. Dan leef ik tenminste in mijn katten nog verder.’ Is deze onverschilligheid en kortzichtigheid ten opzichte van de dood niet ontzettend? In de tijd van Jezus kwamen veel mensen naar Hem toe. Hun redenen daarvoor waren bijna altijd op aardse zaken gericht: Tien uitgestoten melaatsen wilden gezond worden (Lukas 17:13), Blinden wilden kunnen zien (Mattheűs 9:27), Iemand verwachtte hulp bij de strijd om een erfenis (Lukas 12:13-14), Farizeeën stelden de strikvraag, of ze de keizer belasting zouden moeten betalen of niet (Mattheűs 22:17). Slechts weinig mensen kwamen bij Hem om van Hem te horen, hoe men in de hemel komt. Een hooggeplaatst persoon vroeg Hem: “goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?” (Lukas 18:18). Hem werd gezegd wat hij moest doen, namelijk: alles te verkopen waaraan zijn hart zich verpand had en Jezus volgen. Omdat hij zeer rijk was, vond hij het te moeilijk om deze raad op te volgen en zo gaf hij de hemel op. Er waren ook mensen, die helemaal niet op zoek waren naar de hemel, maar die er in de ontmoeting met Jezus bij bepaald werden. En onmiddellijk namen ze het aan. Zo verlangde Zacheűs ernaar om Jezus te zien. Maar hij kreeg meer dan hij verwacht had. Na het bezoek van Jezus bij Zacheűs thuis vond hij – bij wijze van spreken tussen neus en lippen door – de hemel. Jezus zei tegen hem: “vandaag is dit huis redding ten deel gevallen” (Lukas 19:9). Hoe vind je de weg naar de hemel? Na wat hiervoor gezegd is kunnen we vaststellen: Het hemelrijk is op iedere gewone dag te vinden. Dat is goed om te weten, want zo wordt het ook voor u, lezer mogelijk om vandaag het eeuwige leven bij God te ontvangen. Het verwerven van het hemelrijk is niet gekoppeld aan enige verdienste van onze kant. Het hemelrijk kan men volkomen onvoorbereid ontvangen. Onze eigen ideeën over hoe we in de hemel kunnen komen zijn doorgaans fout, wanneer wij niet uitgaan van wat God ons daarover gezegd heeft. Een Schlagerzangeres zong in een lied over een clown die na jarenlang in het circus gewerkt te hebben stopte: “hij komt zeker in de hemel, want hij maakte de mensen aan het lachen.” Een rijke dame liet een armenhuis bouwen, waar 20 vrouwen vrij konden wonen. Ze had slechts één voorwaarde: de vrouwen moesten zich verplichten, om iedere dag een uur lang voor haar zielenheil te bidden. Wat brengt ons werkelijk in de hemel? Om deze vraag afdoende te kunnen beantwoorden, heeft Jezus ons een gelijkenis verteld. In het Evangelie van Lukas, hoofdstuk 14 vers 16, spreekt hij van een mens (in deze gelijkenis een beeld van God), die een groot feest (in deze gelijkenis een beeld van de hemel) geven wil en allereerst uitnodigingen op naam rondstuurt. De reacties zijn alle zeer ontmoedigend. De één na de ander laat zich verontschuldigen. De eerste zegt: “ik heb een stuk land gekocht …”, de tweede: “ik heb vijf paar ossen gekocht …”, de derde: “ik ben pas getrouwd en kan dus niet komen.” Jezus sluit de gelijkenis af met het oordeel van de Gastheer: “Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven!” (Lukas 14:24). Hieruit blijkt dat men de hemel noch winnen, noch verliezen kan. Het punt waar het om draait is het aannemen of afslaan van de uitnodiging. Kan het eenvoudiger? Als velen ooit van de hemel uitgesloten zullen worden, dan is dat niet omdat zij de weg niet gekend hebben, maar omdat zij de uitnodiging afgeslagen hebben. De drie in de gelijkenis genoemde personen zijn geen voorbeeld voor ons, want geen van hen neemt de uitnodiging aan om op het feest te komen! Gaat het feest dan nog wel door? Zeker! Na de afzeggingen stuurt de Gastheer overal uitnodigingen rond. Nu geen luxe kaarten meer. Nu luidt de oproep simpelweg: ‘Kom!’ Voor ieder, die zich laat uitnodigen is er plek op het feest. En wat gebeurt er? De mensen komen – zelfs in grote aantallen. Na enige tijd bemerkt de Gastheer dat er nog plaatsen onbezet zijn! Hij zegt tot zijn dienaren: ga weer op weg! Nodig meer mensen uit! Hier aangekomen zou ik de gelijkenis op onszelf willen toepassen, want het slaat precies op de situatie van vandaag. Er is nog plaats in de hemel en God roept je toe: ‘Kom, neem je plek in de hemel in! Wees wijs en richt je op de eeuwigheid! Doe het vandaag!’ De hemel is onvoorstelbaar mooi en daarom vergelijkt de Heer Jezus hem met een groot feest. In de eerste brief aan de Korintiërs (hfdst. 2:9) staat daarover: “wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.” Niets, maar dan ook niets op deze aarde, is ook maar enigszins te vergelijken met de hemel. Zo prachtig is het daar! De hemel mogen we niet aan ons voorbij laten gaan, daarvoor is hij te groots. Eén heeft voor ons de Poort naar de hemel open gemaakt. Dat is Jezus, de Zoon van God! Aan Hem hebben we het te danken dat het zo eenvoudig is om er te komen. Het komt slechts op onze wil aan. Alleen hij die zo kortzichtig is als de drie personen uit de gelijkenis, neemt de uitnodiging niet aan. Redding komt door Jezus Christus In het boek Handelingen (hfdst. 2:21) staat een belangrijk vers: ”dan zal ieder die de naam van de Heer [Jezus] aanroept worden gered.” Dat is de kernboodschap van het Nieuwe Testament. Toen Paulus gevangen zat in Filippi, kwam hij in gesprek met de gevangenbewaarder ook op dit punt uit: “geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten” (Handelingen 16:31). Deze woorden zijn kort en krachtig, maar tegelijkertijd diep en levensveranderend. Nog diezelfde nacht komt de gevangenbewaarder tot geloof in Jezus. Er is één ding dat we beslist moeten weten: Jezus wil ons afhouden van de weg die tot onze ondergang leidt, de hel. Over hemel en hel zegt de Bijbel, dat mensen er de eeuwigheid zullen doorbrengen. De ene plek is prachtig, de andere een verschrikking. Een derde plek is er niet. Vijf minuten na het sterven zal niemand meer zeggen: met de dood is alles voorbij. Jezus maakt het verschil. Waar we de eeuwigheid doorbrengen hangt van slechts één Persoon af: Jezus – en van onze relatie tot Hem! Toen ik voor een serie lezingen door Polen reisde, bezochten we het voormalige concentratiekamp Auschwitz. Verschrikkelijke dingen hebben zich daar tijdens de Tweede Wereldoorlog afgespeeld. Van 1942 tot 1944 werden hier meer dan 1,6 miljoen mensen, voornamelijk Joden, vergast en daarna verbrand. In de literatuur spreekt men over ‘de hel van Auschwitz’. Ik dacht hierover na toen wij, tijdens een rondleiding met een gids bij een gaskamer kwamen, waar per keer 600 mensen tegelijk omgebracht werden. Het was een ontzettende ervaring. Maar was dat werkelijk ‘de hel’? Het was voor ons slechts mogelijk de gaskamer te bezoeken, omdat deze verschrikking sinds 1945 gestopt is. Nu is het gebied voor bezichtiging vrijgegeven en niemand wordt er meer gekweld of vermoord. De gaskamers van Auschwitz waren tijdelijk. Maar de hel waar de Bijbel over spreekt is eeuwig. In de entreehal van het huidige museum trof mijn blik een tekening van een kruis met het lichaam van Christus. Een gevangene had zijn hoop op de gekruisigde Christus met een spijker in de muur gekrast. Ook deze kunstenaar stierf in een gaskamer. Maar hij kende de Redder Jezus. Hij stierf weliswaar op een vreselijke plaats, maar voor hem stond de hemel open. Uit de hel echter, waarvoor de Heer Jezus in het Nieuwe Testament zo nadrukkelijk waarschuwt (bijv. Matth. 7:13, Matth. 5:29-30, Matth. 18:8), kun je niet ontvluchten en is er geen redding mogelijk wanneer de mens daar eenmaal is beland. Omdat de hel – in tegenstelling tot Auschwitz – eeuwig in bedrijf is, kan ze ook nooit bezichtigd worden. Ook de hemel is eeuwig. En dát is de plaats, waar God ons wil brengen. Daarom, laat u uitnodigen om in de hemel te komen. Roep de naam van Jezus aan en boek daarmee de hemel! Na een lezing vroeg een vrouw mij opgewonden: ‘kun je de hemel wel boeken? Dat klinkt zo naar een reisbureau!’ Ik antwoordde haar: ‘Wie niet geboekt heeft komt niet op zijn bestemming. Wanneer u naar Hawaï wilt, hebt u ook een geldig vliegticket nodig.’ Ze vroeg: ‘maar het ticket moet toch betaald worden?’ O ja, maar het ticket naar de hemel ook! Het is echter zó duur, dat niemand van ons het betalen kan. Onze zonde maakt dat onmogelijk. God duldt geen zonde in zijn hemel. Wie na dit leven de eeuwigheid bij God wil doorbrengen, moet eerst van zijn schuld bevrijd worden. Deze bevrijding kon slechts door Iemand zonder zonde bewerkt worden – en deze Persoon is Jezus Christus. Hij alleen is in staat te betalen. En Hij heeft met zijn bloed betaald, door zijn dood aan het kruis.’ En wat moet ík nu doen om in de hemel te komen? Ook aan ons is Gods uitnodiging tot redding gericht. Nadrukkelijk nodigen vele Bijbelteksten ons uit om op Gods roep te reageren: “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan” (Lukas 13:24). “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij” (Mattheűs 4:17). “Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden” (Mattheűs 7:13-14). “win het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent …” (1 Tim. 6:12). “Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden” (Handelingen 16:31). Dit zijn alle zeer indringende uitnodigingen die proberen ons wakker te schudden. Je proeft in deze teksten de ernst, de stelligheid en urgentie. Wij kunnen hier deze uitnodiging voor de hemel met een gebed beantwoorden. Vrij geformuleerd kan dat zijn: “Here Jezus, ik heb vandaag gelezen, dat ik alleen door U in de hemel kan komen. Ik zou graag bij U in de hemel zijn. Red mij daarom van de hel, waar ik eigenlijk vanwege al mijn schuld terecht zou moeten komen. Omdat U zoveel van mij houdt, bent U ook voor mij aan het kruis gestorven en hebt daar de straf voor mijn zonde op U genomen. U kent al mijn schuld – van mijn kinderjaren af. U kent iedere zonde, alles waar ik mij nu van bewust ben, maar ook alles wat ik allang vergeten ben. U kent iedere overweging van mijn hart. Voor U ben ik een opengeslagen boek. Zoals ik ben, kan ik niet bij U in de hemel komen. Ik vraag U, vergeef mij mijn zonden, ik heb er berouw over. Kom nu in mijn leven en maak mij nieuw. Help mij, alles los te laten wat U niet eert en geef mij nieuwe gewoonten, die door U gezegend worden. Open uw Woord voor mij, de Bijbel. Help mij, zodat ik begrijp wat U mij zeggen wilt en geef mij een gehoorzaam hart, zodat ik dat doe wat U bevalt. Wees vanaf nu mijn HEER. Ik wil U volgen, laat mij de weg zien die ik moet gaan op alle gebieden van mijn leven. Ik dank U, dat U mij verhoord hebt, dat ik nu een kind van God ben, dat eenmaal bij U in de hemel zal zijn. Amen.” Direktor und ProfessorDr.-Ing. Werner Gitt
Wir leben im 21. Jahrhundert und haben gerade in den letzten Jahrzehnten von überwältigenden Erfolgen der Wissenschaft gehört: Dem Menschen gelang der Flug zum Mond, das Schaf Dolly wurde geklont und das Genom des Menschen sequenziert. Kann man in solch aufgeklärter Zeit noch an die Wunder der Bibel glauben? Sind die Auferstehung der Toten, die plötzliche Heilung von Schwerkranken oder physikalische Wunder wie die augenblickliche Stillung des Sturmes auf dem See Genezareth dem heutigen Menschen noch zumutbar? Der Autor und Wissenschaftler Werner Gitt geht in dieser Schrift auf diese und ähnliche Fragen ein. Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen! Wonderen van de Bijbel Wonderen lijken in onze wetenschappelijk gemarkeerde tijd op het eerste gezicht onrealistisch. In het bijzonder de tweede helft van de afgelopen eeuw heeft baanbrekende kennis en successen in de wetenschap en in de techniek gebracht: In 1938 werd door de Duitse uitvinder Konrad Zuse (1910-1995) de wereldwijde, eerste programmagestuurde computer gebouwd. Op 3 december 1967 werd door de Zuid-Afrikaanse arts Christian Barnard (1922-2001) voor de eerste keer een menselijk hart met succes getransplanteerd. Op 21 juli 1969 zette een mens voor de eerste keer zijn voet op de maan. De astronaut Neil Armstrong riep ons vol trots toe vanuit de aardesatelliet de zin: ‘Een kleine stap voor een mens, maar een reuzenstap voor de mensheid’. De Schotse embryoloog Ian Wilmut kloonde in 1996 het schaap Dolly. Deze weinige voorbeelden zouden de indruk kunnen wekken dat er bij de mensen nauwelijks nog grenzen zijn. Bij al het geloof in de wetenschap hebben vele van onze tijdgenoten problemen met de Bijbel. Ze brengen het bezwaar naar voren, dat in ‘Het Boek der boeken’ vele wetenschappelijk niet begrijpelijke dingen zijn geschreven, zoals bijv.: De maagdelijke geboorte De opstanding uit de doden Blinden worden ziende, lammen kunnen plotseling lopen De zon wordt bevolen: ‘Sta stil!’ We worden met de fenomenen van de Bijbelse wonderen geconfronteerd en stellen ons de vraag of ze voor de moderne mens van de 21e eeuw nog redelijk zijn. In eerste instantie geven wij als antwoord eerst een voorlopige definitie D1 voor wonderen: D1: een wonder verplaatst ons in verbazing omdat het onverwacht en onberekenbaar optreedt en onze normale waarneming tegenspreekt. Wanneer wonderen onverwachts komen, wat wordt er dan wel verwacht? Deze vraag helpt ons om een duidelijke scheidslijn te trekken tussen wonderen (onverwachte gebeurtenissen) en geen wonderen (wel verwachte gebeurtenissen). Alle voorvallen in onze wereld lopen binnen een bestek van vaste regelmatigheden af. Deze niet veranderlijke beschikkingen noemen wij natuurwetten. Natuurwetten zijn constant, zoals we weten. Ze zijn onveranderlijk sinds hun ontstaan bij de schepping. Ze geven een grote vrijheid voor de meest uiteenlopende technische uitvindingen en ze sluiten vele, slechts in onze voorstelling bedachte processen, als niet realiseerbaar uit. Verbaasd staan over natuurwetten Kunnen we ons nog genoeg verbazen over de werkzaamheid van de natuurwetten? Ze presteren geweldig! Toen ik pas geleden bij de haven van Hamburg was, zag ik hoe een schip langzame bewegingen in het water van de haven uitvoerde. Daarover nadenkend kwam bij mij een natuurwet in gedachten, die al door Archimedes (287-212 voor Christus) geconstateerd was: ‘Een zwemmend lichaam verdringt precies zo veel van de vloeistof, waarin hij zwemt, dan hij zelf weegt’. Zijn wij ons eigenlijk er wel van bewust, wat voor een indrukwekkend gebeuren dat is? Loopt er bijvoorbeeld een rat aan boord, dan reageert het schip meteen en zinkt precies zoveel dieper in het water van de haven, dan de hoeveelheid verplaatst water wat gelijk is aan het gewicht van de rat. Zouden we de som van de nieuwe dompeldiepte berekenen, dan zou dat voor ons helemaal niet mogelijk zijn. We kennen de juiste vorm van het schip niet, bij sommige plekken is de verf afgebladderd en misschien steekt de scheepsschroef een beetje uit het water. Maar al deze aspecten moeten precies vastgesteld worden omdat ze in de berekening mee moeten worden genomen. In werkelijkheid gebeurt dit meteen en wel op exacte wijze. Wie geeft de watermoleculen het bevel om een beetje aan de kant te gaan zodat het schip dieper kan gaan liggen, zo diep wat overeenkomt met het gewicht van de rat? De natuurwet geldt niet alleen voor dat ene schip in de haven van Hamburg, maar voor alle schepen van de wereld. Het geldt voor het speelgoedje in het bad, maar ook voor een echte eend op een meer of rivier of in een sloot. Niemand zou op grond van de niet berekenbare vorm en structuur van de veren de exacte dompeldiepte van een eend kunnen berekenen. Wie zorgt ervoor, dat de voorwaarden voor deze zo eenvoudig geformuleerde natuurwet met de zo gecompliceerde gevolgen steeds kunnen worden berekend, zodat het op elke tijd en op iedere plaats exact kan worden verwezenlijkt? Er moet toch iemand zijn, die deze berekeningen maakt en dan volgens deze resultaten ook alles zo uitvoert! Wie zorgt voor de naleving van de natuurwetten? Inderdaad, er is werkelijk Iemand, die voor de naleving van de natuurwetten zorgt. Van Hem lezen wij in de Bijbel in Kolosse 1:17: ‘Alle dingen bestaan door Hem’. Deze Onderhouder van de wereld is ook Degene, door Wie alle dingen geschapen zijn: ‘Want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare …. alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen’ (Kolosse 1:16). Deze Ene, Die de Schepper van alle dingen is, is ook de Onderhouder van alles. Het is de Heer Jezus Christus! We kunnen het ook zo zeggen: de Heer Jezus heeft de hoogste macht over alle dingen van de microkosmos tot de macrokosmos. De schepping zelf is een gebeurtenis, die niet met behulp van de natuurwetten is gegaan. Hier heeft de Schepper op grond van Zijn volmacht, Zijn Woord, Zijn kracht en Zijn wijsheid alles gevormd. Daartoe had Hij geen natuurwetten nodig. De natuurwetten zijn dus niet de oorzaak, maar juist het resultaat van de schepping. Na een voleindigde schepping zijn alle natuurwetten ‘in bedrijf’, zodat nu alle processen volgens deze wetten beginnen te lopen. De Heer Jezus is de garantie daarvoor, dat ze altijd en overal nagekomen worden. Daarvoor heeft Hij geen computer of andere hulpmiddelen nodig. Zijn Woord van almacht is voldoende. In de brief aan de Hebreeën hoofdstuk 1:3 staat er daarom van Hem: ‘Hij draagt alle dingen door het Woord van Zijn kracht’. Dit handelen om de schepping te onderhouden drukt zich vanuit wetenschappelijk oogpunt gezien door de natuurwetten uit. In hun totaliteit vormen de natuurwetten een stevig kader waarbinnen alle processen in deze wereld aflopen. Waar is nog plaats voor wonderen? In de praktijk hebben de natuurwetten de werking van een ‘hooggerechtshof’, die beslist of een proces in onze wereld toegestaan is of niet. Het grootste deel van de complexe processen in onze schepping (bijvoorbeeld de werking van de hersenen, de ontwikkeling van een embryo) zijn voor ons mensen onnavolgbaar en ‘wonderlijk’, toch wordt daarbij geen natuurwet aangetast. Omdat ze optreden, rekenen we ook de meest complexe en onbegrepen dingen van onze wereld niet tot de wonderen. Na deze overleggingen kunnen wij nu tegenover D1 een meer exacte definitie D2 voor wonderen geven: D2: Wonderen zijn zulke gebeurtenissen in ruimte en tijd, die buiten het bestek van onze natuurwetten gebeuren. Wij mensen kunnen niets doen om natuurwetten van hun kracht te beroven. Wonderen zijn dus door mensen niet te produceren. De Bijbel vertelt ons van talrijke situaties, waarin God of de Heer Jezus wonderen hebben verricht, zoals: De doortocht van het volk Israël door de Rode Zee (Exodus 14:16-22) De lange dag bij Jozua (Jozua 10:12-14) Het laten bedaren van de storm (Markus 4:35-41) De genezing van de blindgeborene (Johannes 9:1-7) De spijziging van de 5000 mannen (Johannes 6:1-15) De opwekking van Lazarus uit de doden (Johannes 11:32-45) Opmerking: Wanneer mensen soms toch dingen kunnen doen, die buiten het bestek van natuurwetten liggen, dan handelen ze in naam van andere machten. Of Zijn het discipelen van de Heer Jezus, die door hun Heer de volmacht hebben [bijv. Petrus loopt op het water, (Mattheüs 14:29). Petrus geneest de verlamde man bij de tempelpoort in de Naam van de Heer Jezus (Handelingen 3:1-9) of het zijn: Tovenaars en goeroes, die door demonische machten gestuurd worden [bijv. de tovenaars van de Egyptische Farao (Exodus 7:11-12)]. Zijn de wonderen waar de Bijbel van getuigt met hulp van natuurwetten verklaarbaar? God kan binnen het kader van de natuurwetten handelen maar meestal gebeurt het daar buiten. In Jakobus 5:17-18 wordt van Elia verteld, dat op zijn gebed het 3½ jaar niet regende en daarna op een volgend gebed het meteen begon te regenen. God heeft gehandeld en Zijn wil laten gebeuren. Toch zou een meteoroloog hier vanuit zijn gezichtspunt geen natuurwet als aangetast zien. In de eeuw van de Verlichting doorvorste men alle Bijbelse teksten daarnaar, of de vermelde gebeurtenissen op natuurlijke wijze verklaarbaar waren. Wonderen buiten de natuurwetten om werden als onmogelijk verworpen en de Bijbelse geschiedenissen, die daarbij hoorden werden daarmee lichtvaardig als onwaar afgedaan. De gebeurtenissen van de Bijbel willen en kunnen in de meeste gevallen helemaal niet in het kader van de natuurwetten begrepen worden. God handelt soeverein. Hij is de Wetgever van de natuurwetten en daarom is Hij Zelf deze niet onderdanig. In Zijn handelen is Hij niet onderhevig aan beperkingen, want ‘Bij God is geen ding onmogelijk’ (Lukas 1:37). Zijn wil geschiedt. De schepping zelf, zoals ze in Genesis 1 beschreven wordt, is het eerste in de Bijbel vermelde wonder. God schept in zes dagen naar Zijn ideeën en naar Zijn plan een wonderbare kosmos en al het leven op de aarde. De menswording van de Zoon van God is een buitengewoon wonder en goddelijke verborgenheid: De maagd Maria wordt zwanger door de Heilige Geest. De Heer Jezus komt daardoor in onze wereld en is tegelijk de Zoon van God en de Zoon des mensen. Door Zijn dood aan het kruis vereffent Hij onze schuld en wordt daarmee onze Borg voor het eeuwige leven. De opstanding van de Heer Jezus is verder een zeer markante gebeurtenis, die elke verklaring van een natuurwet tart. Elke poging om hier een biologische of medische verklaring te geven, gaat aan het wezenlijke voorbij. De opstanding is en blijft een bijzondere handeling van God en geschiedde buiten het bestek van de natuurwetten. Waarom heeft de Heer Jezus wonderen gedaan? De wonderen van de Heer Jezus zijn onafscheidelijk met Zijn verkondiging verbonden. Hij kwam niet vanuit de hemel met een paspoort met het stempel ‘Gods Zoon’, maar Hij legitimeerde Zich door Zijn almacht in woord en daad als de Gezondene van God. Zijn gezag als Schepper, Redder en eeuwige Koning wordt door de begeleidende wonderen en tekenen onderstreept. Ze zijn een integraal bestandsdeel van Zijn zending en leer. Na al het tevoren genoemde kunnen wij de goddelijk gewerkte wonderen nu nog exacter en door D3 als volgt vasthouden: D3: Wonderen zijn verbazingwekkende en buitengewone daden en gebeurtenissen, die God of Zijn Zoon Jezus Christus doet, waarbij de processen buiten de werkzaamheid van de natuurwetten aflopen. In onderscheid tot de demonische werkingen dienen de wonderen van God Tot Zijn verheerlijking: [bijvoorbeeld: de schepping (Psalm 19:2), de genezing van de blindgeborene (Johannes 9:3b)] Als bewijs van Zijn liefde tot ons [bijvoorbeeld een rots in de woestijn geeft water (Exodus 17:1-6), raven verzorgen de profeet Elia (1 Kon. 17:6)] Tot versterking van het geloof [bijvoorbeeld de wijn op de bruiloft te Kana (Johannes 2:11b)] Of tot redding uit de nood [bijvoorbeeld het laten bedaren van de storm (Markus 4:39)] Het wonder van het geloof Tot de grootste wonderen in onze tijd behoort het, wanneer mensen de roep van de Heer Jezus volgen en daardoor eeuwig leven vinden. Hierbij moeten natuurwetten niet buiten kracht worden gezet maar verouderd denken moet door vernieuwd denken veranderd worden. In Handelingen 16:23-34 wordt aan de hand van het voorbeeld van de gevangenbewaarder deze wandel van het verwijderd zijn van God tot het geloof beschreven. Op de vraag: ‘Wat moet ik doen om behouden te worden?’ wordt hem door Paulus en Silas gezegd: ‘Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden!’ Waarom zegt Paulus niet ‘Geloof in God?’ Daarop zou de gevangenbewaarder zeker hebben geantwoord: ‘Goden hebben we hier in Griekenland genoeg – Zeus, Kronos und Rhea, Poseidon, Hades, Apollon, Artemis en Hermes’. Maar Paulus noemt de Heer Jezus, de Gekruisigde en Opgestane. Slechts in Hem is heil en eeuwig leven te verkrijgen. Op de vraag van de gevangenbewaarder naar redding gaf hij slechts een uniek antwoord – het luidde toen net zoals vandaag: ‘Jezus!’ Dat begreep deze man en hij nam de Heer Jezus als zijn persoonlijke Redder aan. Opmerkelijk is hoeveel tijd deze man nodig had om een besluit te nemen. Te middernacht hoorde hij voor de eerste keer van de weg tot redding. Zeker hebben Paulus en Silas niet uitvoerig met hem gesproken, maar – zelfs wanneer we enige uren daarvoor zouden aannemen, gebeurde toch alles binnen een dag. Dat kan voor sommige lezers bemoedigend zijn, die vandaag het evangelie voor het eerst leren kennen. Men hoeft niet eerst 23 of 168 preken te horen om zich te bekeren. De kracht van het evangelie is meteen werkzaam. Bij het ‘wonder van het geloof’ moeten niet de natuurwetten overwonnen worden. Maar het zijn bijna altijd de moeilijk te overwinnen muren van onze wil, waarover we moeten springen: Muren van het eigen vastgeroeste denken Muren van trots en van eigengerechtigheid Muren van een verhard hart De werking bij degene, die tot geloof komt, overtreft al het menselijke bevatbare en voorstelbare. Hij komt van zijn weg van verlorenheid op de weg van heil en wordt op die dag een burger van de hemel: ‘Ons burgerschap is in de hemelen’ (Filippi 3:20). We zien daaraan: Tot persoonlijk geloof in de Heer Jezus Christus te komen, respectievelijk zich te bekeren, is het grootste wat in ons leven überhaupt kan gebeuren. Besluit u nog vandaag voor een leven met Jezus Christus! Met het volgende gebed (dit gebed is alleen maar een hulp, u kunt het ook met uw eigen woorden doen) kunt u zich richten tot de Heer Jezus en gered worden en een plaats in de hemel krijgen: ‘Heer Jezus Christus, ik zou graag bij U in de hemel komen. Reinig mij van alle trots en de andere zonden in mijn leven. Ik geloof, dat U God bent en voor ons mensen in het vlees op deze aarde kwam. Ik geloof, dat U voor mij gestorven en opgestaan bent. U bent mijn Redder. Ik vertrouw me aan U toe en neem U nu aan in mijn leven. Ik vraag U, kom in mijn hart en wees U de Heer van mijn leven en leidt mij veilig tot aan het einddoel. Amen!’ Dr.-Ing. Werner Gitt Directeur en Professor